ECLI:NL:RVS:2017:1154 Raad van State , 26-04-2017 / 201604323/1/A1

Uitspraak

201604323/1/A1.

Datum uitspraak: 26 april 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Mierlo, gemeente Geldrop-Mierlo,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 28 april 2016 in zaak nr. 15/6644 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Geldrop-Mierlo.

Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2015 heeft het college geweigerd aan [appellant] ontheffing te verlenen van het besluit van het college van 21 juli 1998 tot een geslotenverklaring voor gemotoriseerd verkeer, uitgezonderd bestemmingsverkeer, van een deel van de Heiderschoor te Mierlo.

Bij besluit van 10 november 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 april 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 april 2017, waar [appellant], bijgestaan door drs. H.P.W. Havens, rechtsbijstandverlener te Apeldoorn, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.J.J. van Houtert en I. van Overbeeke, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [appellant] woont aan de [locatie] te Mierlo. Aan het einde van de Broekstraat is een splitsing gelegen, die aan de linkerzijde uitmondt in de Heiderschoor. In 1998 is, met het doel sluipverkeer tegen te gaan, door het college van de gemeente Mierlo een verkeersbesluit genomen waarbij de Heiderschoor grotendeels is onttrokken aan het verkeer. Aan de vrouw van [appellant] is bij besluit van 6 oktober 2000 een ontheffing verleend zodat toch gebruik kon worden gemaakt van de Heiderschoor. Deze ontheffing was geldig tot 7 oktober 2001 en ging gepaard met de verstrekking van een pasje waarmee de slagboom kon worden geopend. Ook nadat de geldigheid van de ontheffing was verlopen is [appellant] in het bezit gebleven van een pasje. Nadat de afsluiting in maart 2015 was gerenoveerd, ontdekte [appellant] dat zijn pasje niet meer op de gerenoveerde slagboom paste. Hij heeft vervolgens op het gemeentehuis mondeling verzocht om een pasje of sleutel waarmee hij de slagboom kan openen. Bij besluit van 2 maart 2015 heeft het college besloten om [appellant] de door hem verzochte ontheffing niet te verlenen.

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld door te weigeren de door hem verzochte ontheffing te verlenen. Daartoe voert hij aan dat de raad van de gemeente Mierlo in 1996 heeft toegezegd dat aan [appellant] een ontheffing zal worden verleend. Vervolgens heeft hij bijna zeventien jaar de beschikking gehad over een pasje voor de slagboom, aldus [appellant]. Het college had dit volgens [appellant] moeten respecteren en aan hem om die reden wederom een ontheffing van het besluit van 21 juli 1998 moeten verlenen. In dat verband wijst [appellant] ook op een tussen de burgemeester en [appellant] gesloten overeenkomst tot afgifte van een pasje/sleutel voor de Heiderschoor van 7 december 2000.

2.1.    De raad van de gemeente Mierlo heeft in 1996 aan [appellant] de toezegging gedaan dat hij, ook wanneer de Heiderschoor zou worden afgesloten voor gemotoriseerd verkeer, van deze weg gebruik zou mogen blijven maken. Gevolg gevend aan deze toezegging heeft het college aan de vrouw van [appellant] bij besluit van 6 oktober 2000 voor een jaar ontheffing van het verkeersbesluit van 21 juli 1998 verleend. Vervolgens is [appellant] ook na het verstrijken van de termijn van deze ontheffing, tot ongeveer maart 2015, in het bezit gebleven van een pasje waardoor hij toegang had tot de Heiderschoor. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college in de toezegging die in 1996 aan [appellant] is gedaan, geen aanleiding heeft hoeven zien om aan hem, in afwijking van het "Ontheffingenbeleid betrekking hebbende op de geslotenverklaring Heiderschoor" (hierna: het Ontheffingenbeleid), een ontheffing te verlenen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat aan deze toezegging, daargelaten dat die door de raad is gedaan en niet door het college zelf, niet de betekenis toekomt dat deze, ongeacht veranderde omstandigheden, ook na 20 jaar nog de betekenis zou moeten hebben dat wederom ontheffing moet worden verleend. Evenmin kan in de door [appellant] overgelegde overeenkomst worden gelezen dat de in 1996 gedane toezegging inhield dat aan [appellant] voor onbepaalde tijd ontheffing voor de Heiderschoor zou moeten worden verleend. De rechtbank heeft derhalve terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld. Dat de ontheffing voor hem grote emotionele waarde heeft, is geen reden voor een ander oordeel.

    Het betoog faalt.

3.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Daartoe voert hij aan dat het college alleen bij zijn aanvraag om een ontheffing het Ontheffingenbeleid heeft toegepast en in andere gevallen niet. Bovendien is ook in het verleden het Ontheffingenbeleid niet toegepast, aldus [appellant].

3.1.    Aan de orde is de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid zijn besluit van 2 maart 2015, om de door [appellant] verzochte ontheffing te weigeren, heeft kunnen nemen. In deze procedure gaat het niet om de vraag of het college in 2000 het Ontheffingenbeleid heeft toegepast en zo ja, of het dat correct heeft toegepast.

    [appellant] heeft niet concreet aangevoerd welke gevallen volgens hem gelijk zijn en in welke gevallen het college, anders dan in zijn geval, zonder toepassing van het Ontheffingenbeleid ontheffing zou hebben verleend. Voor zover hij heeft bedoeld te verwijzen naar een lijst van het college uit 2015 met daarop personen, bedrijven en instanties aan wie een sleutel van de slagboom is verstrekt, wordt het volgende overwogen. Het college heeft ter zitting toegelicht dat deze gevallen niet gelijk zijn aan het geval van [appellant], nu deze personen, bedrijven en instanties worden aangemerkt als bestemmingsverkeer en daarmee van de geslotenverklaring zijn uitgezonderd. Gelet op deze toelichting is de Afdeling van oordeel dat het college, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld.

    Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.D. Kamphorst-Timmer, griffier.

w.g. Van Buuren    w.g. Kamphorst-Timmer

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2017

776.