ECLI:NL:RVS:2017:1269 Raad van State , 15-05-2017 / 201603417/1/V1

Uitspraak

201603417/1/V1.

Datum uitspraak: 15 mei 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 7 april 2016 in zaak nr. 15/16813 in het geding tussen:

[vreemdeling 1 en [vreemdeling 2]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 7 januari 2015 heeft de staatssecretaris de aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 25 augustus 2015 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 april 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. Y.E. Verkouter, advocaat te 's-Hertogenbosch, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

    Overwegingen

1.    Artikel 6:8 van de Awb luidt:

'1. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.'

    Artikel 69 van de Vreemdelingenwet 2000 luidt:

'1. In afwijking van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift vier weken.'

    Artikel 1 van de Algemene Termijnenwet luidt:

'1. Een in een wet gestelde termijn die op een zaterdag, zondag of een algemeen erkende feestdag eindigt, wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.'

    Artikel 3 van deze wet luidt:

'1. Algemeen erkende feestdagen in de zin van deze wet zijn: […] de Hemelvaartsdag […].

2. […].

3. Wij kunnen bepaalde dagen voor de toepassing van deze wet met de in het eerste lid genoemde gelijkstellen. Ons besluit wordt in de Nederlandse Staatscourant openbaar gemaakt.'

    Artikel 1 van het Besluit van 17 juni 2013, nr. 13.001210 (Stcrt. 2013, 19755) luidt:

'met een algemeen erkende feestdag als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Algemene Termijnenwet worden gelijk gesteld […] en 6 mei 2016.'

1.1.    De aangevallen uitspraak is verzonden op 7 april 2016. Gelet op de uit artikel 1, eerste lid, van de Algemene Termijnenwet voortvloeiende verlenging was 9 mei 2016 derhalve de laatste dag van de termijn voor het instellen van hoger beroep. Op die dag is het hogerberoepschrift bij faxbericht verzonden en bij de Raad van State ingekomen. Anders dan de vreemdelingen betogen, is het hogerberoepschrift dus tijdig ingediend.

2.    Vreemdeling 1, geboren op [geboortedatum] 2001, en vreemdeling 2, geboren op [geboortedatum] 2000, zijn broers met de Somalische nationaliteit. Zij zijn in 2008 samen met hun oma Nederland ingereisd. De vreemdelingen hebben samen met hun oma asielaanvragen ingediend, die zijn afgewezen. Die afwijzing is bij uitspraak van de Afdeling van 20 december 2012 in rechte vast komen te staan.

    De vreemdelingen hebben op 28 mei 2014 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van de Regeling langdurig verblijvende kinderen (hierna: de Regeling). Vreemdeling 1 is daarbij als hoofdpersoon aangemerkt. De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen. Hij heeft de vreemdelingen onder meer tegengeworpen dat zij niet hebben meegewerkt aan hun vertrek.

    De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd dat deze contra-indicatie aan de vreemdelingen kan worden tegengeworpen en onder meer hierom het beroep gegrond verklaard en het besluit van 25 augustus 2015 vernietigd.

3.    In de derde grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat aan zijn stelling dat voogdijinstelling Nidos (hierna: Nidos), als belangenbehartiger van de vreemdelingen, niet actief heeft meegewerkt aan het vertrek van de vreemdelingen en een passieve houding had niet de door hem gewenste betekenis kan worden toegekend, omdat de verantwoordelijkheden van Nidos als voogdijinstelling in het kader van het meewerken aan vertrek niet zonder meer gelijk gesteld kunnen worden met die van ouders of verzorgers. Daartoe voert hij aan dat van een vreemdeling kan worden verlangd dat hij voldoet aan de in de Regeling cumulatief geformuleerde voorwaarden voor meewerken aan vertrek. Dat een vreemdeling in de periode dat hij moet meewerken aan vertrek minderjarig is en onder voogdij van Nidos staat, laat onverlet dat hij -  onder verantwoordelijkheid van zijn wettelijk vertegenwoordiger - aan de voorwaarden moet voldoen. Het Burgerlijk Wetboek, waarin het gezag over minderjarigen is geregeld, biedt geen grondslag voor het oordeel dat een voogd in het kader van meewerken aan vertrek een andere verantwoordelijkheid heeft dan ouders of verzorgers. Daarbij komt dat Nidos uitdrukkelijk ook de belangen van een vreemdeling behartigt als het aankomt op terugkeer, aldus de staatssecretaris.

3.1.    Volgens paragraaf B9/6 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals luidend ten tijde van de aanvraag en voor zover thans van belang, verleent de staatssecretaris een verblijfsvergunning aan een vreemdeling die in het kader van de Regeling als hoofdpersoon kan worden beschouwd en die voldoet aan de in de Regeling weergegeven vereisten.

    De staatssecretaris verleent vorenbedoelde verblijfsvergunning niet als bij de hoofdpersoon sprake is van een of meer van de in paragraaf B9/6.2, onder a tot en met f, weergegeven contra-indicaties, zoals die ten tijde van de beoordeling van de aanvraag worden geconstateerd. Een van die contra-indicaties (e) houdt in dat de desbetreffende vreemdeling niet heeft meegewerkt aan zijn vertrek (hierna: de contra-indicatie).

    De staatssecretaris neemt aan dat de vreemdeling heeft meegewerkt aan zijn vertrek als hij aannemelijk maakt dat hij zich, met het oog op zijn vertrek, heeft gewend tot:

1. de vertegenwoordiging van de eigen autoriteiten of die van een ander land waartoe toegang kan worden verkregen;

2. de Internationale Organisatie voor Migratie (hierna: de IOM), en deze organisatie heeft aangegeven dat zij niet in staat is het vertrek te realiseren om redenen gelegen buiten de invloedssfeer van de desbetreffende vreemdeling; en

3. de Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna: de DT&V), ten behoeve van facilitering bij het verkrijgen van de vereiste (reis)documenten, en deze dienst heeft aangegeven dat dit niet is geslaagd om redenen gelegen buiten de invloedssfeer van de desbetreffende vreemdeling.   

3.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 27 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2942)) mag de staatssecretaris van een vreemdeling in redelijkheid verwachten dat hij, alvorens een aanvraag op grond van de Regeling in te dienen, heeft gepoogd zijn vertrek te realiseren door zich tot de instanties te wenden die worden genoemd in de onder 3.1. vermelde cumulatieve voorwaarden. Niet in geschil is dat de vreemdelingen sinds november 2008 onder voogdij van Nidos staan. Anders dan de rechtbank heeft overwogen kunnen de verantwoordelijkheden van Nidos als voogdijinstelling in het kader van meewerken aan terugkeer gelijk worden gesteld met die van ouders. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat uitgangspunt is dat een voogd, evenals een ouder, als wettelijk vertegenwoordiger de belangen van de minderjarige moet behartigen. Hieronder moet tevens worden begrepen het begeleiden richting terugkeer van een minderjarige vreemdeling die niet in aanmerking komt voor asielrechtelijke bescherming. Vergelijk de uitspraak van 23 februari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:512).

    Gelet hierop heeft de staatssecretaris bij zijn beoordeling of de vreemdelingen hebben meegewerkt aan vertrek in redelijkheid de rol van Nidos als wettelijk vertegenwoordiger van de vreemdelingen kunnen betrekken. Niet in geschil is dat Nidos op de hoogte was van de vertrekplicht van de vreemdelingen. Als wettelijk vertegenwoordiger van de vreemdelingen diende Nidos zich zelfstandig en op eigen initiatief tot de in voornoemde cumulatieve voorwaarden genoemde instanties te wenden om aan de vertrekplicht van de vreemdelingen invulling te geven. De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 25 augustus 2015 terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat Nidos actief bezig is geweest het vertrek van de vreemdelingen uit Nederland mogelijk te maken. Dat de voogd het uit een oogpunt van het welzijn van de vreemdelingen niet wenselijk vond actief aan het vertrek van de vreemdelingen mee te werken voordat bepaalde garanties konden worden gegeven, laat onverlet dat de staatssecretaris in het kader van de Regeling niettemin een actieve houding van Nidos kon verlangen. Hij heeft de e-mailberichten waarin Nidos in algemene zin bij de IOM heeft geïnformeerd naar vrijwillige terugkeermogelijkheden naar Somalië en bij de DT&V heeft geïnformeerd naar welke school de vreemdelingen na hun overplaatsing naar een gezinslocatie zouden kunnen en naar communicatiemogelijkheden in Somalië, in dit kader in redelijkheid onvoldoende kunnen achten. Hieruit volgt dat de staatssecretaris deugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdelingen onvoldoende aan vertrek hebben meegewerkt.

    De grief slaagt.

4.    Nu uit het voorgaande volgt dat de staatssecretaris de contra-indicatie terecht aan de vreemdelingen heeft tegengeworpen en de vreemdelingen reeds op grond daarvan niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van de Regeling, behoeven de overige grieven geen bespreking.

5.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 25 augustus 2015 toetsen in het licht van de daartegen voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

6.    De vreemdelingen hebben aangevoerd dat de weigering hun een verblijfsvergunning te verlenen een schending van hun door artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) beschermde recht op eerbieding van het gezinsleven en privéleven met zich brengt en dat de staatssecretaris in dit kader geen deugdelijke belangenafweging heeft gemaakt.

6.1.    De vreemdelingen verblijven sinds 30 augustus 2013 in een pleeggezin bij hun stiefmoeder, halfbroer en twee halfzussen. Voordien werden zij van jongs af aan verzorgd door hun oma, die sinds 30 augustus 2013 buiten beeld is. De vader van de vreemdelingen en van de andere kinderen heeft al geruime tijd verblijfsrecht in Italië.

6.2.    De staatssecretaris heeft in het kader van het recht op eerbiediging van het gezinsleven en het privéleven de individuele belangen van de vreemdelingen afgewogen tegen het algemeen belang gediend door de Nederlandse overheid. Hij heeft bij de beoordeling of artikel 8 van het EVRM tot verlening van de gevraagde verblijfsvergunningen noopt niet ten onrechte in aanmerking genomen dat het gezinsleven en privéleven van de vreemdelingen is opgebouwd terwijl hun verblijfssituatie onzeker was, zodat slechts onder bijzondere omstandigheden aanleiding bestaat een schending van artikel 8 van het EVRM aan te nemen. De staatssecretaris heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat van bijzondere omstandigheden, als hiervoor bedoeld, niet is gebleken. Ten tijde van het besluit van 25 augustus 2015 verbleven de vreemdelingen bijna zeven jaar in Nederland. Dit is aanzienlijk korter dan het verblijf van de desbetreffende vreemdelingen in de door de vreemdelingen aangehaalde uitspraken van de Afdeling van 13 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2069, ECLI:NL:RVS:2013:2081 en ECLI:NL:RVS:2013:2085). Ofschoon de vreemdelingen tijdens hun verblijf in Nederland een sociaal netwerk hebben opgebouwd en hier een opleiding volgen, heeft de staatssecretaris niet ten onrechte groter gewicht toegekend aan het feit dat de vader van de vreemdelingen al geruime tijd verblijfsrecht in Italië heeft en dat de vreemdelingen zich bij hun vader kunnen voegen om daar met zijn hulp een bestaan op te bouwen. De staatssecretaris heeft zich daarbij voldoende rekenschap gegeven van de belangen van de vreemdelingen als kinderen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de vreemdelingen niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij geen toegang tot Italië zullen krijgen en hun stelling dat zij daar geen aanvaardbaar leven zullen hebben niet met concrete feiten en omstandigheden hebben onderbouwd. Met een verwijzing naar de algemene situatie van vreemdelingen in Italië hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat daar voor hen geen opvang en onderwijs beschikbaar zijn. De staatssecretaris heeft voorts niet ten onrechte in aanmerking genomen dat, hoewel geen objectieve belemmering bestaat het gezinsleven in Italië uit te oefenen, de stiefmoeder en haar kinderen er ook voor kunnen kiezen in Nederland te blijven en de vreemdelingen in dat geval aan hun gezinsleven met de stiefmoeder en haar kinderen vanuit Italië invulling kunnen geven door middel van korte bezoeken en moderne communicatiemiddelen. De stiefmoeder en haar kinderen geven immers nu al op dezelfde wijze invulling aan hun gezinsleven met hun echtgenoot onderscheidenlijk vader. Ook hun contacten met vrienden kunnen de vreemdelingen op die wijze vanuit Italië onderhouden. Het beroep op het arrest van 3 juli 2012 van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, Samsonnikov tegen Estland, ECLI:CE:ECHR:2012:0703JUD005217810, faalt. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dit geen vergelijkbaar geval betreft, reeds omdat de vreemdelingen niet in Nederland zijn geboren en getogen. De vreemdelingen hebben hun enkele stelling dat de staatssecretaris traag is geweest met het realiseren van hun vertrek niet gestaafd, zodat daaraan bij de beoordeling van de gemaakte belangenafweging geen gewicht toekomt.

    In het licht van het vorenstaande heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van de vreemdelingen uitvalt.

7.    Het beroep is ongegrond.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 7 april 2016 in zaak nr. 15/16813;

III.    verklaart het door de vreemdelingen in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en

mr. R. van der Spoel en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.

w.g. Parkins-de Vin    w.g. Hanrath

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2017

392.