ECLI:NL:RVS:2017:1327 Raad van State , 18-05-2017 / 201700641/1/V1

Uitspraak

201700641/1/V1.

Datum uitspraak: 18 mei 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 13 januari 2017 in zaak nr. 16/30436 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 27 december 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 13 januari 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.D. Kupelian, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen

1.    De vreemdeling, met de Turkse nationaliteit, heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij sinds 1998 aanhanger is van de Gülenbeweging en dat hij medeoprichter en vennoot was van een met name genoemd bedrijf, dat bekend stond als aan de Gülenbeweging gelieerd. Volgens de vreemdeling heeft hij Turkije verlaten na de mislukte staatsgreep van 15 juli 2016. Na zijn vertrek uit Turkije heeft de politie een inval in zijn woning gedaan waarbij een cd met een preek van Fethullah Gülen en de telefoon van zijn vrouw in beslag zijn genomen. Bij de inval is zijn vrouw voor verhoor meegenomen naar het politiebureau en is een arrestatiebevel tegen hem uitgevaardigd, aldus de vreemdeling.

2.    De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat is voldaan aan de vereisten waaronder een vreemdeling ingevolge artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 het voordeel van de twijfel moet worden gegund indien hij zijn verklaringen of een deel van zijn verklaringen niet met documenten kan onderbouwen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de vreemdeling samenhangend en aannemelijk heeft verklaard over zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging en de redenen waarom hij zich daarbij heeft aangesloten. Voorts heeft de vreemdeling volgens de rechtbank geloofwaardige en samenhangende verklaringen afgelegd over zijn betrokkenheid bij het met name genoemde bedrijf en de banden van dat bedrijf met de Gülenbeweging. Verder heeft de staatssecretaris zich volgens de rechtbank ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de vreemdeling over de inval in zijn woning en de daaropvolgende gebeurtenissen ongeloofwaardig zijn.

3.    In zijn grieven klaagt de staatssecretaris onder meer dat de rechtbank weliswaar terecht heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat het asielrelaas van de vreemdeling ongeloofwaardig is, maar dat zij ten onrechte een oordeel heeft gegeven over de geloofwaardigheid van belangrijke onderdelen van het asielrelaas. Volgens de staatssecretaris had de rechtbank slechts moeten overwegen dat hij zich ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat bepaalde onderdelen van het asielrelaas niet geloofwaardig zijn. Voorts betoogt de staatssecretaris dat de rechtbank heeft miskend dat voor de toepassing van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 aan de daarin gestelde cumulatieve voorwaarden moet worden voldaan.

3.1.    De rechtbank heeft het besluit van 27 december 2016 vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen zij heeft overwogen. Zij heeft echter ook overwogen dat de staatssecretaris het asielrelaas ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht en dat de vreemdeling volgens haar wél innerlijk consistent en aannemelijk heeft verklaard over hetgeen hem is overkomen. De rechtbank heeft daarmee ten onrechte haar eigen oordeel over de geloofwaardigheid van het asielrelaas in de plaats gesteld van het oordeel van de staatssecretaris (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 15 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3007).

    Voorts heeft de staatssecretaris terecht aangevoerd dat de rechtbank weliswaar is ingegaan op de samenhang en de aannemelijkheid van de verklaringen van de vreemdeling, maar zich niet heeft uitgelaten over de vraag of en op grond waarvan ook aan de overige voorwaarden voor de toepassing van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 is voldaan.

3.2.    De grieven slagen.

4.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Wat de staatssecretaris voor het overige heeft aangevoerd behoeft geen bespreking. Nu de staatssecretaris zich in hoger beroep op het standpunt stelt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat het asielrelaas van de vreemdeling ongeloofwaardig is, moet de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden waarop deze rust, worden bevestigd.

5.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak.

II.    veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van  € 495,00 (zegge: vierhonderdvijfennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2017

488-826.