ECLI:NL:RVS:2017:1330 Raad van State , 19-05-2017 / 201701534/1/V2

Uitspraak

201701534/1/V2.

Datum uitspraak: 19 mei 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 13 februari 2017 in zaken nrs. 17/1163 en 17/1166 in het geding tussen:

[de vreemdeling 1] en [de vreemdeling 2], mede voor haar minderjarig kind

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluiten van 11 januari 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 13 februari 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. M. Woudwijk, advocaat te Amsterdam, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.    De vreemdelingen hebben aan hun aanvragen, samengevat weergegeven, ten grondslag gelegd dat zij in Moldavië zijn afgeperst door criminelen. De staatssecretaris heeft het asielrelaas geloofwaardig geacht. In hoger beroep heeft hij zijn standpunt over de geloofwaardigheid van het asielrelaas van de vreemdelingen in die zin verduidelijkt dat hij ook geloofwaardig acht dat de vreemdelingen zijn gewaarschuwd niet naar de autoriteiten te gaan. Hij heeft de aanvragen afgewezen, omdat de vreemdelingen, hoewel bescherming door de autoriteiten mogelijk is, niet om bescherming hebben gevraagd. De rechtbank heeft de besluiten van 11 januari 2017 vernietigd, omdat deze in strijd zijn met artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. In het hoger beroep komt de staatssecretaris niet op tegen het oordeel van de rechtbank dat de besluiten van 11 januari 2017 onzorgvuldig zijn voorbereid en ondeugdelijk zijn gemotiveerd.

Hoger beroep

2.    In zijn grieven klaagt de staatssecretaris, samengevat weergegeven, dat de rechtbank, in wat hij in beroep naar voren heeft gebracht, ten onrechte geen aanleiding heeft gezien de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand te laten. Daartoe voert de staatssecretaris aan dat zowel uit het stuk "Moldava 2016 Crime & Safety Report" van de Overseas Security Advisory Council (hierna OSAC) als uit het stuk "Country Report on Human Rights Practices 2015 - Moldava" van US Department of State blijkt dat de autoriteiten in Moldavië in het algemeen bescherming bieden en dat de omstandigheid dat in Moldavië sprake is van corruptie daaraan niet afdoet. Voorts had de rechtbank volgens de staatssecretaris in aanmerking dienen te nemen dat in het geval van de vreemdelingen geen sprake was van een complex probleem, omdat zij, volgens hun eigen verklaringen, slechts werden afgeperst omdat de daders zouden hebben gezien dat zij goede leefomstandigheden hadden. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:281, voert de staatssecretaris ten slotte aan dat de mate van effectiviteit van de bescherming niet op voorhand vast dient te staan.

2.1.    Uit de door de staatssecretaris aangehaalde passages uit de hiervoor onder 2. vermelde stukken blijkt dat in Moldavië in het algemeen bescherming wordt geboden tegen de door de vreemdelingen gevreesde dreiging. Uit die stukken kan worden afgeleid dat in geval van criminaliteit bij de politie aangifte kan worden gedaan en dat de politie, met name in gebieden die door buitenlanders worden bezocht, in staat is tot het afhandelen van simpele zaken. Daaruit kan voorts worden afgeleid dat dit wordt bemoeilijkt door een gebrek aan middelen. Voorts blijkt uit die stukken dat in Moldavië anti-corruptie wetgeving is en dat die wetgeving ook wordt toegepast. Het is dan ook aan de vreemdelingen om aannemelijk te maken dat het vragen van bescherming bij voorbaat zinloos was. Dat, zoals de vreemdelingen hebben aangevoerd, de mate van effectiviteit van de bescherming niet op voorhand vaststaat, brengt, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 1 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1913 en de hiervoor vermelde uitspraak van 1 februari 2017) niet reeds met zich dat in feite geen bescherming kan worden verkregen. Gelet hierop en nu onbestreden is dat de vreemdelingen naar aanleiding van de problemen waarover zij hebben verklaard nooit bescherming bij de autoriteiten hebben gezocht, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdelingen niet aannemelijk hebben gemaakt dat de autoriteiten niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden.

2.2.    Gelet op wat hiervoor onder 2.1. is overwogen en nu hiermee tevens alle beroepsgronden zijn besproken, klaagt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten van 11 januari 2017 niet in stand heeft gelaten. De grieven slagen.

Conclusie

3.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, doch, gelet op wat hiervoor in 2.1. is overwogen, alleen voor zover de rechtbank heeft nagelaten de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand te laten. De Afdeling zal daarom bepalen dat de rechtsgevolgen van die besluiten in stand blijven.

4.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 13 februari 2017 in zaken nrs. 17/1163 en 171166, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten van 11 januari 2017 niet in stand zijn gelaten;

III.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van die besluiten geheel in stand blijven;

IV.    veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 495,00 (zegge: vierhonderdvijfennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.

w.g. Sevenster    w.g. Yildiz

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2017

594.