ECLI:NL:RVS:2017:1343 Raad van State , 24-05-2017 / 201603936/1/A2

Uitspraak

201603936/1/A2.

Datum uitspraak: 24 mei 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 15 april 2016 in zaak nr. 15/5891 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [appellant] om toekenning van een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de definitieve vaststelling van de huurtoeslag voor 2012 afgewezen.

Bij besluit van 21 oktober 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 april 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 maart 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.

Overwegingen

Wettelijk kader

1.    De in deze uitspraak vermelde bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2.    Bij brief van 15 april 2015 heeft [appellant] de Belastingdienst/Toeslagen in gebreke gesteld en verzocht om toekenning van een dwangsom omdat de dienst niet tijdig een beslissing heeft genomen op zijn bezwaar tegen het besluit van 14 november 2014 inhoudende de definitieve berekening huurtoeslag voor het jaar 2012. De dienst heeft bij besluit van 4 juli 2015 op het bezwaar over de huurtoeslag beslist. Bij het besluit van 6 juli 2015 (hierna: dwangsombesluit) heeft de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek om een dwangsom afgewezen, omdat het verzoek betrekking heeft op een niet tijdig genomen besluit op bezwaar tegen de definitieve berekening huurtoeslag 2012 en de dwangsomregeling pas vanaf het berekeningsjaar 2013 toepassing vindt. Op 13 augustus 2015 heeft [appellant] tegen het dwangsombesluit bezwaar gemaakt. Vervolgens heeft hij bij brief van 30 september 2015 de Belastingdienst/Toeslagen in gebreke gesteld omdat de dienst niet tijdig een beslissing heeft genomen op dit bezwaar. [appellant] geeft in zijn brief aan dat hij recht heeft op een dwangsom indien hij niet binnen twee weken een beslissing ontvangt. Bij het besluit van 21 oktober 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het bezwaar tegen het dwangsombesluit ongegrond verklaard. Bij brief van 27 oktober 2015 heeft [appellant] de Belastingdienst/Toeslagen verzocht hem schriftelijk te informeren of met het besluit van 21 oktober 2015 tevens een beslissing is genomen op het verzoek om een dwangsom van 30 september 2015. De dienst heeft de brief van 27 oktober 2015 aangemerkt als een beroepschrift en doorgestuurd naar de rechtbank. [appellant] heeft tegen het besluit van 21 oktober 2015 alsmede tegen het uitblijven van een dwangsombeschikking naar aanleiding van zijn brief van 30 september 2015 beroep ingesteld.

Besluit van 21 oktober 2015

3.    De rechtbank heeft - samengevat - overwogen dat uit artikel XVI van de Overige fiscale maatregelen 2009 volgt dat de dwangsomregeling vervat in paragraaf 4.1.3.2. van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet van toepassing is op een besluit over de definitieve berekening van de huurtoeslag over het berekeningsjaar 2012. De omstandigheid dat paragraaf 4.1.3.2. van de Awb wel van toepassing is op dwangsomverzoeken die in 2015 zijn ingediend en zien op besluiten betreffende de definitieve berekening van toeslagen over berekeningsjaren vanaf 2013 maakt niet dat toepassing van artikel XVI van de Overige fiscale maatregelen 2009 in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Dergelijke besluiten zien op een ander berekeningsjaar dan 2012 zodat geen sprake is van gelijke gevallen. De verwijzing van [appellant] naar artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) en artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), waarin het verbod op discriminatie ligt vervat, leidt niet tot een andere conclusie nu niet is gebleken op welke wijze sprake is van discriminatie, aldus de rechtbank.

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst/Toeslagen met het besluit van 21 oktober 2015 zonder enige motivering voorbij is gegaan aan het internationaal verankerde gelijkheidsbeginsel zoals vervat in artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM. Het besluit is zodoende ondeugdelijk gemotiveerd hetgeen volgens [appellant] niet zonder rechtsgevolgen kan blijven. De rechtbank heeft voorts overwogen dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat geen sprake is van gelijke gevallen. De kern van het betoog is echter dat het gaat om een aanspraak op een dwangsom in het jaar 2015 en dat met de Overige fiscale maatregelen 2009 niet bedoeld is om de Belastingdienst/Toeslagen tot in lengte van jaren te vrijwaren van het nemen van tijdige beslissingen, aldus [appellant].

4.1.    In paragraaf 4.1.3.2 van de Awb is geregeld onder welke omstandigheden een bestuursorgaan een dwangsom is verschuldigd bij niet tijdig beslissen. Ingevolge artikel XVI van de Overige fiscale maatregelen 2009 vindt deze paragraaf voor het eerst toepassing met betrekking tot krachtens de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) te nemen of genomen besluiten met betrekking tot het berekeningsjaar 2013. Dit betekent dat de Belastingdienst/Toeslagen geen dwangsommen wegens niet tijdig beslissen kan verbeuren voor zover het besluit van de dienst zijn grondslag vindt in de Awir en betrekking heeft op een berekeningsjaar voorafgaand aan het jaar 2013. Nu het onderliggende geschil in dit geval betrekking heeft op de definitieve berekening van de huurtoeslag over het berekeningsjaar 2012, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de dwangsomregeling niet van toepassing is.

    Anders dan [appellant] betoogt, levert de omstandigheid dat het dwangsomverzoek in 2015 is ingediend geen strijd op met het gelijkheidsbeginsel. Nu het geschil betrekking heeft op een besluit met betrekking tot het berekeningsjaar 2012, terwijl artikel XVI van de Overige fiscale maatregelen 2009 ziet op besluiten over het berekeningsjaar 2013 en daarna, is van gevallen die gelijk zouden moeten worden behandeld geen sprake. De keuze van de wetgever heeft tot gevolg dat het berekeningsjaar bepalend is voor de toepassing van de dwangsomregeling en dit levert geen strijd op met artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM. Hoewel de Belastingdienst/Toeslagen bij het besluit op bezwaar van 21 oktober 2015 niet uitdrukkelijk is ingegaan op het beroep op het gelijkheidsbeginsel, heeft dat de rechtbank, gelet op het vorenoverwogene, niet hoeven leiden tot vernietiging van dat besluit.

    Het betoog faalt.

Dwangsomverzoek van 30 september 2015

5.    [appellant] kan volgens de rechtbank niet worden gevolgd in zijn standpunt dat het besluit van 21 oktober 2015 niet in stand kan blijven omdat daarin geen besluit is genomen op het dwangsomverzoek van 30 september 2015. Uit de rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1290, volgt dat er geen aanknopingspunten zijn dat de wetgever heeft beoogd om de ingebrekestelling aan te merken als aanvraag in de zin van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb. Het nemen van een dwangsombesluit is om die reden geen beschikking op aanvraag in de zin van die bepaling. Dit betekent dat op de Belastingdienst/Toeslagen geen verplichting rust om een besluit te nemen op het dwangsomverzoek van 30 september 2015. Nu een verplichting ontbreekt, kan het beroep evenmin worden aangemerkt als een beroep op het niet tijdig beslissen op het dwangsomverzoek, aangezien niet aan de toegangseisen van artikel 6:12, tweede lid onder a, van de Awb is voldaan, aldus de rechtbank.

6.    [appellant] kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat de Belastingdienst/Toeslagen geen besluit hoeft te nemen op het dwangsomverzoek van 30 september 2015. Hij interpreteert de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2014, waar de rechtbank naar heeft verwezen, zo, dat de Belastingdienst/Toeslagen met een afwijzend besluit zou kunnen volstaan, maar wel een besluit dient te nemen. Voorts voert [appellant] aan dat de rechtbank voorbij is gegaan aan de wijze waarop het beroep is ingesteld, nu de Belastingdienst/Toeslagen de brief van 27 oktober 2015 heeft aangemerkt als een beroepschrift en heeft doorgestuurd naar de rechtbank.

6.1.    Zoals de Afdeling in de hiervoor vermelde uitspraak van 16 april 2014 heeft overwogen, is de ingebrekestelling bedoeld om de dwangsomregeling te activeren, maar is zij niet aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb. Het nemen van een dwangsombesluit is dus geen beschikking op aanvraag in de zin van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb. Het bestuursorgaan kan niet krachtens die bepaling een dwangsom verbeuren wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit. In haar uitspraak van 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4448 heeft de Afdeling overwogen dat ook geen dwangsom wordt verbeurd bij het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar tegen een dwangsombesluit. Reeds omdat de Belastingdienst/Toeslagen geen dwangsom kan verbeuren wegens het niet tijdig nemen van het besluit van 21 oktober 2015, kan hetgeen [appellant] heeft aangevoerd niet leiden tot het toekennen van een dwangsom zodat de rechtbank het beroep met betrekking tot het te nemen besluit op het dwangsomverzoek van 30 september 2015 in zoverre terecht ongegrond heeft geacht. Dit betekent dat met deze uitspraak in hoger beroep de dwangsomzaak is afgedaan en de Belastingdienst/Toeslagen thans geen besluit meer hoeft te nemen over de door [appellant] verzochte dwangsom.

    Het betoog faalt.

Hoorplicht

7.    [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen mocht worden afgezien wegens kennelijke ongegrondheid van het bezwaar. Nu een toelichting op de bezwaren niet tot een andere uitkomst zou kunnen leiden omdat, zoals hiervoor is overwogen, de dwangsomregeling in dit geval niet van toepassing is, is de rechtbank terecht tot deze slotsom gekomen.

    Het betoog faalt.

Conclusie

8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.

w.g. Hagen    w.g. Dallinga

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2017

18-834. BIJLAGE

Artikel 26 van het IVBPR

‘Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.’

Artikel 14 van het EVRM

‘Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.’

Artikel XVI van de Overige fiscale maatregelen 2009 (Stb. 2008, 566), zoals gewijzigd door artikel XXV, onderdeel B, van de Overige fiscale maatregelen 2011 (Stb. 2010, 873) en artikel I van de Wet toepassing dwangsomregeling toeslagen (Stb. 2011, 633)

‘Paragraaf 4.1.3.2. van de Algemene wet bestuursrecht vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot ingevolge de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen te nemen of genomen beschikkingen met betrekking tot het berekeningsjaar 2013.’

De in de uitspraak vermelde bepaling uit paragraaf 4.1.3.2. van de Awb, met als opschrift ‘dwangsom bij niet tijdig beslissen’, luidt als volgt:

Artikel 4:17, eerste lid

‘Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. (…)’

De overige in de uitspraak vermelde bepalingen uit de Awb luiden als volgt:

Artikel 6:12

‘1. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking, is het niet aan een termijn gebonden.

2. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

[...].’

Artikel 7:3

‘Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien [..]

b. het bezwaar kennelijk ongegrond is,

[...].’