ECLI:NL:RVS:2017:1365 Raad van State , 24-05-2017 / 201605108/1/A2

Uitspraak

201605108/1/A2.

Datum uitspraak: 24 mei 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], kantoorhoudend te Den Haag,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 mei 2016 in zaak nr. 16/271 in het geding tussen:

[appellante]

en

de raad voor rechtsbijstand (lees: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand; hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2015 heeft de raad de vergoeding voor door [appellante] aan [cliënt] verleende rechtsbijstand op nihil vastgesteld.

Bij besluit van 1 december 2015 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 mei 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 februari 2017, waar [appellante] en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra en mr. M. Doets, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [cliënt] heeft op 16 maart 2015 bij de raad een aanvraag om een toevoeging voor rechtsbijstand ingediend. Deze ziet op een beroepsprocedure over de afwijzing door de Belastingdienst/Toeslagen van een verzoek van [cliënt] om een persoonlijke betalingsregeling. [appellante] is rechtsbijstandverlener en neemt deel aan het High Trust één op één controle achteraf-programma (hierna: High Trust één op één-programma) van de raad. Zij heeft op 4 augustus 2015 een aanvraag vergoeding bij de raad ingediend.

    Uit het "Convenant High Trust één op één controle achteraf" (hierna: het convenant), de "Algemene voorwaarden High Trust, één-op-één-controle" (hierna: de algemene voorwaarden) en de toelichting bij "High Trust, variant één-op-één controle" op de kenniswijzer van de raad (kenniswijzer.rvr.org) volgt dat in dit programma de vraag of een zaak toevoegingswaardig is niet langer door de raad naar aanleiding van een toevoegingsaanvraag wordt beoordeeld. De inhoudelijke beoordeling van de aanvraag is aan de rechtsbijstandverlener. Daarnaast zorgt de rechtsbijstandverlener voor een correcte declaratie. Toevoegingen worden vervolgens achteraf één op één door de raad gecontroleerd. Anders dan bij een Lichte Advies Toevoeging (hierna: LAT) binnen het High Trust één op één-programma, neemt de raad bij een niet LAT-aanvraag binnen dit programma twee besluiten; één over de toevoeging en één over de vergoeding. Het besluit over de toevoeging wordt door de raad dus zonder eigen inhoudelijke beoordeling verleend. Volgens het convenant en de algemene voorwaarden wordt, als uit de controle blijkt dat een zaak achteraf niet toevoegingswaardig is en de helpdesk van de raad daarover niet is geraadpleegd, de toevoegingsvergoeding op nihil gesteld en mag de rechtsbijstandverlener de kosten van verleende rechtsbijstand niet verhalen op zijn cliënt.

2.    De zaak waarop de gevraagde toevoeging ziet heeft betrekking op een beroepsprocedure over de afwijzing door de Belastingdienst/Toeslagen van een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling voor de door [cliënt] teveel ontvangen kinderopvangtoeslag. De raad heeft bij besluit van 19 maart 2015 de toevoeging voor rechtsbijstand verleend. Bij besluit van 7 augustus 2015 heeft de raad de vergoeding voor door [appellante] aan [cliënt] verleende rechtsbijstand op nihil vastgesteld. De raad heeft aan deze vaststelling van de vergoeding ten grondslag gelegd dat ingevolge artikel 7 van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria (hierna: het Brt) geen toevoeging wordt verleend voor het treffen van een betalingsregeling. Voorts gaat het hier volgens de raad om behartiging van een belang dat, overeenkomstig artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb), redelijkerwijs aan [cliënt] zelf kan worden overgelaten.

3.    Tegen dit laatste besluit heeft [appellante] bezwaar gemaakt en tegen het besluit op bezwaar van 1 december 2015 heeft zij beroep ingesteld. De rechtbank heeft geoordeeld dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat behartiging van het rechtsbelang redelijkerwijs aan [cliënt] zelf kan worden overgelaten.

Hoger beroep

4.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de zaak waarvoor toevoeging is gevraagd juridisch en feitelijk complex is. Zij voert hierbij aan dat artikel 7 van het Brt niet van toepassing is op aanvragen om toevoeging in zaken over de afwijzing van een persoonlijke betalingsregeling.

    Voorts betoogt [appellante] dat het besluit van 1 december 2015 in strijd is met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Volgens haar wordt [cliënt] de toegang tot een onafhankelijke rechter ontzegd.

Wettelijk kader

5.    Artikel 6, eerste lid, eerste volzin, van het EVRM luidt: "Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld."

    Artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb luidt: "Rechtsbijstand wordt niet verleend indien: het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van deze wet."

    Artikel 7 van het Brt luidt: "Voor rechtsbijstand terzake van het treffen van een afbetalingsregeling, het aanvragen van het eigen faillissement of het kwijtschelden van een schuld wordt geen toevoeging verleend."

Beoordeling hoger beroep

6.    Het hoger beroep ziet op de vaststelling van de vergoeding van door [appellante] aan [cliënt] verleende rechtsbijstand. Volgens het convenant en de algemene voorwaarden wordt, als uit de controle blijkt dat een zaak achteraf niet toevoegingswaardig is en de helpdesk van de raad daarover niet is geraadpleegd, de vergoeding op nihil gesteld.

7.    Zowel op de toevoegingsaanvraag als op de vergoedingsaanvraag is vermeld dat [appellante] geen contact heeft gehad met de helpdesk van de raad. De raad heeft het besluit over de vergoeding gemotiveerd door allereerst te wijzen op artikel 7 van het Brt. Daarnaast heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat de zaak waarvoor toevoeging is gevraagd niet feitelijk of juridisch complex is en de behartiging daarvan overeenkomstig artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb aan [cliënt] zelf kan worden overgelaten. Daarom heeft [cliënt] volgens de raad geen aanspraak op rechtsbijstand en is de vergoeding voor [appellante] op nihil vastgesteld.

    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor de procedure over de afwijzing door de Belastingdienst/Toeslagen van een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling geen juridische bijstand noodzakelijk was. Zij heeft in dit verband met juistheid verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1285). In deze uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat in een procedure over een persoonlijke betalingsregeling geen juridische bijstand noodzakelijk was omdat degene die de toevoeging heeft aangevraagd in staat moet worden geacht zelf redenen aan te dragen waarom van opzet of grove schuld geen sprake was. Dat opzet en grove schuld juridische begrippen zijn, maakt niet dat de zaak zodanig feitelijk of juridisch complex is dat aanspraak op gesubsidieerde rechtsbijstand bestond, aldus de Afdeling in die uitspraak. Hierbij is ook van belang dat het in eerste plaats aan de Belastingdienst/Toeslagen is te bewijzen dat sprake is van opzet of grove schuld.

    Reeds nu [cliënt] geen aanspraak heeft op rechtsbijstand en de helpdesk van de raad hierover niet is geraadpleegd, heeft de raad de vergoeding terecht op nihil gesteld.

    De rechtbank is, onder verwijzing naar deze uitspraak van de Afdeling van 22 april 2015, dan ook terecht aan het betoog van [appellante] over artikel 7 van het Brt voorbij gegaan.

    Het betoog faalt.

8.    De rechtbank heeft voorts terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de besluitvorming in strijd is met artikel 6 van het EVRM. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:565) heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) in onder andere de arresten van 9 oktober 1979, Airey tegen Ierland, nr. 6289/73, punt 26, en 23 maart 2010, M.A.K. en R.K. tegen het Verenigd Koninkrijk, nrs. 45901/05 en 40146/06, punt 43 (www.echr.coe.int) overwogen dat, hoewel artikel 6 van het EVRM geen recht op gratis rechtsbijstand voor min- of onvermogenden toekent buiten het geval van strafrechtelijke procedures, het daarin besloten liggende recht op toegang tot de rechter in andere rechtsgedingen, waarbij ingewikkelde feitenvaststelling of rechtsvragen aan de orde zijn, ook een verplichting voor de verdragsstaten kan meebrengen dienaangaande positieve actie te ondernemen.

    Uit de rechtspraak van het EHRM, zoals het arrest van 15 februari 2005, Steel en Morris tegen het Verenigd Koninkrijk, nr. 68416/01, punt 62 (www.echr.coe.int) volgt echter evenzeer dat deze verplichting niet betekent dat onbeperkt recht op gratis rechtsbijstand zou bestaan. Het recht op toegang tot de rechter is niet absoluut, maar mag aan beperkingen worden onderworpen. Dergelijke beperkingen mogen evenwel het recht op toegang tot de rechter niet in essentie aantasten, moeten een gerechtvaardigd doel dienen en moeten proportioneel zijn aan dat doel.

    Het EHRM heeft in het hiervoor vermelde arrest van 15 februari 2005, punten 60 en 62, verder overwogen dat een verdragsstaat niet verplicht is door middel van gefinancierde rechtsbijstand een volledige gelijkheid van proceskansen (‘equality of arms’) te bewerkstelligen, zolang de betrokkene de redelijke mogelijkheid heeft om zijn zaak voor te leggen onder omstandigheden die hem niet in een aanzienlijk nadeliger positie brengen dan de wederpartij. Het vereenvoudigen van de procedure kan daaraan bijdragen.

    Artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb leidt alleen tot een beperking van de subsidiëring van rechtsbijstand in het geval waarin de behartiging van een belang redelijkerwijs aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van de Wrb. Die beperking schaadt het recht op toegang tot de rechter niet in essentie. Daarbij is van belang dat juist in dergelijke zaken betrokkenen in staat worden geacht hun belangen voor de rechter of de desbetreffende instantie zelf te behartigen. Verder moet het, met het oog op de financiële beheersbaarheid van het systeem van rechtsbijstandsverlening, gerechtvaardigd worden geacht dat geen rechtsbijstand wordt verleend wanneer het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de rechtszoekende zelf kan worden overgelaten, dan wel waarvoor meer geëigende vormen van hulpverlening openstaan. Ten slotte zijn de gevolgen van de besluitvorming niet onevenredig in verhouding tot het daarmee te dienen doel, reeds nu [cliënt] zich, kosteloos kan laten adviseren door bijvoorbeeld het Juridisch Loket. Hieraan doet niet af dat het Juridisch Loket geen bijstand verleent in procedures.

9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.

w.g. Steendijk    w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2017

85.