ECLI:NL:RVS:2017:1369 Raad van State , 24-05-2017 / 201606743/1/A2

Uitspraak

201606743/1/A2.

Datum uitspraak: 24 mei 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 juli 2016 in zaak nr. 15/6456 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellante] voor het jaar 2013 definitief vastgesteld op nihil en een bedrag van € 8.220,00 van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 14 september 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 juli 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 april 2017, waar [appellante], bijgestaan door mr. C.S. Schuurink, rechtsbijstandverlener te Rotterdam, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft [appellante] over 2013 voorschotten kinderopvangtoeslag verstrekt voor de opvang van haar dochter, [dochter], door [kinderopvang].

Besluitvorming

2.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan zijn besluit van 14 september 2015 ten grondslag gelegd dat [appellante] niet heeft aangetoond dat betaalde kinderopvang heeft plaatsgevonden en dat zij zelf kosten van kinderopvang heeft gehad.

Beroep

3.    De rechtbank heeft overwogen dat uit de door [appellante] overgelegde jaaropgave en facturen die zien op het toeslagjaar 2013 blijkt dat de totale kosten voor de opvang bij [kinderopvang] € 9.009,00 bedragen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft een bedrag van € 7.942,00 direct aan [kinderopvang] uitbetaald. Dit betekent dat [appellante] een bedrag van € 1.067,00 aan [kinderopvang] diende te betalen. Ter zitting heeft [appellante] verklaard dat zij dit bedrag niet heeft betaald. Volgens een door [appellante] overgelegde betalingsregeling met [kinderopvang] van 15 juli 2014 diende [appellante] op dat moment nog € 509,00 te betalen. Ter zitting is gebleken dat deze regeling feitelijk niet tot stand is gekomen. Volgens [appellante] dienen nog concrete afspraken te worden gemaakt met Pleitmeesters B.V., die verantwoordelijk is voor het innen van de openstaande vorderingen van [kinderopvang], die inmiddels failliet is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellante] met eventuele betalingen per 1 juli 2014 op grond van de hiervoor genoemde betalingsregeling te laat zou zijn om deze betalingen nog toe te kunnen rekenen aan het toeslagjaar 2013. [appellante] kan verder niet worden gevolgd in haar stelling dat de Belastingdienst/Toeslagen in vergelijkbare gevallen is afgeweken van de hoofdregel dat de kosten van kinderopvang in het toeslagjaar of kort daarna moeten zijn betaald. De vijf zaken waarnaar [appellante] heeft gewezen zijn niet vergelijkbaar. Verder is niet gebleken dat de Belastingdienst/Toeslagen de bestendige gedragslijn voert om in gevallen waarin de kosten van kinderopvang niet geheel zijn voldaan toch kinderopvangtoeslag toe te kennen, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

4.    Niet in geschil is dat [appellante] in 2013 niet alle kosten van kinderopvang heeft betaald. In geschil is of [appellante] voor dat jaar desondanks aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag.

5.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Belastingdienst/Toeslagen in haar omstandigheden aanleiding had moeten zien een uitzondering te maken op de regel dat de kosten van kinderopvang in het toeslagjaar of kort daarna moeten zijn betaald. [appellante] voert hiertoe in de eerste plaats aan dat zij, voordat zij het besluit van 15 mei 2015 ontving, niet wist dat zij zelf kosten van kinderopvang diende te maken om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen. Challenge Sports, het bedrijf dat haar bijstond in een gemeentelijk re-integratietraject, heeft haar geadviseerd haar dochter op te laten vangen door [kinderopvang], omdat ouders met een laag inkomen bij [kinderopvang] niet of zeer beperkt hoefden bij te dragen aan de kosten van kinderopvang. Omdat [kinderopvang] hiermee adverteerde, [kinderopvang] al bijna tien jaar stond ingeschreven in het Landelijk Register Kinderopvang en Peuterspeelzalen, maar ook omdat Challenge Sports haar adviseerde haar dochter bij [kinderopvang] te laten opvangen, bestond er geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de handelswijze van [kinderopvang]. [appellante] voert in de tweede plaats aan dat zij met Pleitmeesters is overeengekomen dat zij alsnog de volledige kosten van kinderopvang over 2013 zal betalen. Op grond van deze overeenkomst zal [appellante] maandelijks € 50,00 aflossen. De eerste betaling heeft de dag voor de zitting bij de Afdeling plaatsgevonden. [appellante] wijst erop dat de Belastingdienst/Toeslagen in zes met haar zaak vergelijkbare zaken kinderopvangtoeslag heeft toegekend. Door haar geen toeslag toe te kennen, handelt de dienst in strijd met het gelijkheidsbeginsel, aldus [appellante].

5.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in haar door de rechtbank aangehaalde uitspraak van 31 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:556, brengen de achtergrond van de regeling voor het toekennen van kinderopvangtoeslag en het verstrekken van voorschotten daarvoor en het belang van controle op een juiste besteding van overheidsgelden met zich dat de verschuldigde kosten voor kinderopvang daadwerkelijk ten tijde van die opvang of uiterlijk kort daarna worden voldaan. Daargelaten binnen welke termijn de betaling van de verschuldigde kosten exact dient te geschieden, zijn betalingen in 2017 en 2018 voor het toeslagjaar 2013 in ieder geval te laat om aan dit toeslagjaar te kunnen worden toegerekend. Dat [appellante] door [kinderopvang] verkeerd is voorgelicht en zij door Challenge Sports naar [kinderopvang] is verwezen zijn niet zulke bijzondere omstandigheden dat de Belastingdienst/Toeslagen voor haar een uitzondering diende te maken. Het was aan [appellante], als aanvrager van de kinderopvangtoeslag, om zich op de hoogte te stellen van de voorwaarden die aan de aanspraak op kinderopvangtoeslag waren verbonden. Dat zij meende geen kosten van kinderopvang te hoeven maken, komt dan ook voor haar rekening en risico.

    Het betoog faalt in zoverre.

5.2.    [appellante] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de Belastingdienst/Toeslagen in de zes door haar aangedragen zaken betalingsregelingen heeft geaccepteerd die vergelijkbaar zijn met de regeling die zij met Pleitmeesters is overeengekomen, terwijl dit wel op haar weg lag. De Afdeling ziet geen aanleiding [appellante] in de gelegenheid te stellen alsnog stukken over te leggen, zoals zij ter zitting heeft aangeboden, omdat zij hiertoe ruimschoots in de gelegenheid is geweest.

    Het betoog faalt derhalve ook voor het overige.

Conclusie

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Dijkshoorn

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2017

735.