ECLI:NL:RVS:2017:1379 Raad van State , 24-05-2017 / 201605378/1/R2

Uitspraak

201605378/1/R2.

Datum uitspraak: 24 mei 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Linschoten, gemeente Montfoort,

en

de raad van de gemeente Montfoort,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Rotonde N204 - Linschoten" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 februari 2017, waar [appellant], en de raad, vertegenwoordigd door ing. Y. Smeets en ir. M.P. Smits, zijn verschenen. Voorts is ter zitting het college van gedeputeerde staten van Utrecht, vertegenwoordigd door mr. C.V. de Jong, wegbeheerder van het traject N204, als belanghebbende, gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plan voorziet in de aanleg van de rotonde, een nieuw parkeerterrein en een kanosteiger ter hoogte van Linschoten tussen IJsselveld en de A12. De rotonde wordt aangelegd omdat op deze locatie sprake is van een verkeersonveilige situatie bij het oversteken van de provinciale weg N204 door langzaam verkeer en door autoverkeer vanuit de G. van der Valk Boumanstraat en voor langzaam verkeer, autoverkeer en landbouwverkeer vanaf de Noord-Linschoterdijk. De raad en het college van gedeputeerde staten stellen zich op het standpunt dat met de aanleg van een rotonde de verkeersveiligheid sterk zal verbeteren.

Toetsingskader

2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Formele bezwaren

3.    [appellant] betoogt dat de besluitvorming met betrekking tot het plan onzorgvuldig is geweest.

     Hij betoogt dat er ten onrechte geen burgerinspraak bij de provincie heeft plaatsgevonden. Op eerdere al in 2012 naar voren gebrachte bezwaren is niet gereageerd.

     [appellant] betoogt dat indieners van zienswijzen geen bericht hebben ontvangen over de behandeling van de zienswijzen en niet zijn uitgenodigd voor de forum- en raadsvergadering van 9 mei 2016 over het plan. Bovendien hebben indieners van een zienswijze te weinig spreektijd gehad op deze vergadering terwijl de vertegenwoordiger van het college van gedeputeerde staten een lange spreektijd heeft gehad.

    Voorts betoogt [appellant] dat het college van gedeputeerde staten heeft gedreigd om een provinciaal inpassingsplan vast te stellen. Daarmee maakt het inbreuk op het democratische proces bij de vaststelling van een bestemmingsplan. Er is geknoeid met de verslagen van de forum- en raadsvergadering om het onrechtmatige optreden van het college van gedeputeerde staten te verdoezelen. Het college van gedeputeerde staten heeft burgers in diskrediet gebracht op oneigenlijke gronden en onrechtmatig gehandeld.

     [appellant] stelt verder dat argumenten in de nota van zienswijze onjuist en willekeurig zijn samengevat.

4.    Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van toepassing op de voorbereiding van een bestemmingsplan. De procedure inzake de vaststelling van een bestemmingsplan begint met de terinzagelegging van een ontwerpplan en de mogelijkheid voor belanghebbenden om daartegen zienswijzen in te dienen. Hetgeen daaraan vooraf is gegaan, kan de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het plan niet aantasten.

5.    De raad heeft aangegeven dat alle indieners van zienswijzen op de hoogte zijn gesteld van de behandeling in de forum- en raadsvergadering en het verdere verloop van de procedure. Bij de zienswijze van [appellant] zijn ingevulde en ondertekende verklaringen van meerdere inwoners van Linschoten en omgeving toegevoegd. Deze zienswijze en verklaringen zijn door de raad behandeld in de Nota van beantwoording van zienswijzen. Personen die deze verklaring hebben ondertekend en een belang kennen vanuit het afstandscriterium zijn op de hoogte gesteld van de behandeling in de forum- en raadsvergadering van 9 mei 2016. [appellant] is in de gelegenheid gesteld in te spreken tijdens deze vergadering. Daarbij stelt [appellant] dat de spreektijd beperkt was. Naar het oordeel van de Afdeling kan niet worden geoordeeld dat [appellant] daardoor redelijkerwijs niet in de gelegenheid was om zijn standpunt - dat hij al in de zienswijze kenbaar heeft gemaakt - nader toe te lichten. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad ook de door [appellant] opgestelde notitie heeft toegevoegd aan het verslag met opmerkingen.

Het betoog faalt.

6.    Uit de stukken blijkt dat tijdens de forum- en raadsvergadering namens het college van gedeputeerde staten is gesteld dat het toepassen van haar bevoegdheid tot gebruik van een provinciaal inpassingsplan tot de mogelijkheden behoort. Deze opmerking betreft niet meer dan het wijzen op een wettelijk vastgesteld instrumentarium waarvan tevens in verslagen melding is gemaakt.

Het betoog faalt.

7.    Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is aannemelijk gemaakt dat bepaalde bezwaren of argumenten die naar voren zijn gebracht in de zienswijze, niet in de overwegingen zijn betrokken.

Het betoog faalt.

8.    Ook in hetgeen overigens in dit verband naar voren is gebracht bestaat geen grond voor het oordeel dat het besluit in zoverre is voorbereid in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Nut en noodzaak

9.    [appellant] betoogt dat de verantwoordelijke wethouder de toezegging heeft gedaan om het college van gedeputeerde staten te vragen om de maximum snelheid op de N204 terug te brengen naar 60 km/uur. [appellant] betoogt dat met de invoering van deze snelheidsbeperking er geen noodzaak meer bestaat om de rotonde aan te leggen; aanpassing wegdek en weginrichting zijn dan afdoende om de weg veiliger te maken. Gelet hierop mocht hij erop vertrouwen dat de inwerkingtreding van het plan zou worden opgeschort totdat duidelijkheid is verkregen of de maximum snelheid zou worden teruggebracht.

10.    De raad heeft bij het vaststellen van het bestemmingsplan als uitgangspunt genomen dat op de N204 een maximum snelheid van 80 km/uur geldt. In de nota van zienswijzen, die aan de vaststelling van het plan ten grondslag ligt, is stil gestaan bij de vraag of het terugbrengen van de snelheid naar 60 km/uur een wenselijk en haalbare mogelijkheid is en is het standpunt ingenomen dat dat niet het geval is.

11.    Over het betoog van [appellant] dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door degenen die niet ter zaak beslissingsbevoegd zijn. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij een wethouder, maar bij de raad. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

Het betoog faalt.

12.    Overigens is ter zitting door het college van gedeputeerde staten aangegeven dat er inmiddels overleg heeft plaatsgevonden met hem en dat wordt vastgehouden aan een maximum snelheid van 80 km/uur. Het college vreest dat bij een lagere snelheid zoekend verkeer zijn weg gaat zoeken langs andere wegen.

Flora en fauna

13.    [appellant] betoogt dat de raad onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de aanleg van de rotonde geen negatieve effecten heeft op de aanwezige vleermuissoorten en wijst in dit verband op de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw).

14.    De raad stelt dat het onderzoek dat heeft plaatsgevonden in het kader van de Ffw niet ondeugdelijk is geweest en dat er geen ecologische beperkingen voor het realiseren van het plan zijn.

15.    Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) in werking getreden en zijn de Natuurbeschermingswet 1998 en de Ffw ingetrokken. Uit artikel 9.10 van de Wnb volgt dat dit geschil - nu het plan is vastgesteld voor 1 januari 2017 - moet worden beoordeeld aan de hand van het voor die datum geldende recht.

16.    De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Wnb (voorheen: Ffw) nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was de Ffw het geldende recht. De raad heeft het plan niet kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg stond.

17.    Beschermde soorten in het plangebied zijn geïnventariseerd door middel van een literatuuronderzoek, een veldbezoek en een aanvullende quickscan. De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in de notitie van Ecologisch Adviesbureau Viridis "Quickscan Flora- en faunawet wegverbetering N204 Lopik-Woerden" van mei 2014. Daaruit is gebleken dat op basis van het literatuuronderzoek is gebleken dat enkele strikt beschermde soorten van de Ffw redelijkerwijs in en rondom het plangebied zijn te verwachten. Op basis van de bevindingen tijdens het veldbezoek is echter duidelijk geworden dat er geen strikt beschermde vaatplanten, grondgebonden zoogdiersoorten, vleermuizen, jaarrond beschermde nestplaatsen van vogels, vissen, amfibieën, reptielen of ongewervelde diersoorten in het plangebied aanwezig zijn.

    Hiermee heeft veldonderzoek uitgewezen dat door aanleg van de rotonde er geen vaste rust- of verblijfplaatsen, vliegroutes of essentieel foerageergebied worden aangetast. Het is uitgesloten dat de ingreep negatieve effecten heeft op vleermuissoorten, aldus de quickscan.

    De quickscan is tevens beoordeeld door een specialist van de Omgevingsdienst regio Utrecht. Hij heeft geconcludeerd dat de ingreep op een juiste wijze is beoordeeld en de juiste onderzoeksopzet en methode gebruikt zijn en dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de uitkomsten.

18.    [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de quickscan op deze punten gebreken, dan wel leemten in kennis vertoont dat de raad zich in zoverre niet op de quickscan heeft mogen baseren.

19.    Gelet op het voorgaande, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Het betoog faalt.

Akoestisch onderzoek

20.    [appellant] stelt dat hij grote hinder ondervindt van het zware vrachtverkeer en dat dit leidt tot verstoring van zijn nachtrust. Hij betoogt dat het akoestisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan het plan, niet voldoet. In dat verband voert hij aan dat de verkeersgegevens die zijn gebruikt voor het doorstromingsonderzoek onvoldoende actueel zijn omdat deze dateren uit 2009 waardoor de uitkomsten van de verkeersberekeningen onbetrouwbaar zijn. Voorts betoogt hij dat er geen rekening is gehouden met verkanting van het wegdek en het gekozen onderzoeksgebied van 100 m onvoldoende is. [appellant] betoogt dat de berekeningen die ten grondslag liggen aan het akoestisch onderzoek daarom niet juist zijn.

21.    De raad heeft gesteld dat het doorstromingsonderzoek niet ten grondslag is gelegd aan het besluit tot vaststelling van het plan en dat in het akoestisch onderzoek, dat is uitgevoerd door Adviesbureau Alcedo te Holten naar wegverkeerslawaai N204-rotonde ter hoogte van Linschoten, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een akoestisch rapport van 8 april 2015 van juiste gegevens en verkeersberekeningen is uitgegaan. Uit de geluidsberekeningen blijkt dat de geluidsbelasting ten gevolge van de aanleg van een rotonde op de N204 op de aansluitende wegen ten hoogste 0,5 dB toeneemt. Dit is lager dan de ten hoogste toelaatbare toename van 1,5 dB. Hiermee is er geen sprake van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder. Uit de resultaten blijkt dat de geluidsbelasting in de toekomstige situatie bij de omliggende woningen ten hoogste 48 dB bedraagt.

22.    In het akoestisch rapport is toegelicht dat de uitgangspunten voor de berekening van de geluidsbelasting de verkeersgegevens zijn zoals die zijn opgegeven door de provincie Utrecht en de gemeente Montfoort. De verstrekte verkeersgegevens hebben betrekking op telgegevens van het jaar 2006 (lokale wegen) en 2013 (N204). In overeenstemming met opgave van de gemeente Montfoort is er in de periode 2006 tot 2014 geen groei geweest. Conform opgave van de provincie Utrecht is er in de periode 2013 tot 2014 geen groei geweest. Voor het jaar 2014 zijn daarom de aangeleverde telgegevens gebruikt. Voor de periode 2014 tot 2025 wordt er conform opgave van de provincie Utrecht slechts een beperkte groei van 2% verwacht. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat de verkeersgegevens ten tijde van het vaststellen van het plan onvoldoende actueel waren.

     De berekening van de geluidsbelasting heeft plaatsgevonden op basis van de Standaard Rekenmethode 2 uit het Reken- en meetvoorschrift 2012. De raad heeft toegelicht dat daarbij geen rekening is gehouden met de verkanting van de weg van circa 2 graden omdat dit akoestisch niet relevant is. Wel is rekening gehouden met de reflectie van het geluid tegen het wegdek. In het akoestisch onderzoek zijn ook de effecten op verderweg gelegen woningen in beeld gebracht. Daarvoor is het onderzoeksgebied ten minste verlengd met een lengte gelijk aan een derde van de breedte van de geluidszone conform RMG 2012. Uit figuur 3 van het akoestisch onderzoek blijkt dat het onderzoeksgebied zich veel verder uitstrekt dan 100 m vanaf de te realiseren rotonde. De 100 m waar [appellant] op wijst betreft een obstakeltoeslag die is toegepast tot 100 m. Aangezien de woning van de heer [appellant] op grotere afstand is gelegen, geldt daar een obstakeltoeslag van 0 conform de genoemde rekenmethode.

     Gelet op het voorgaande heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek naar zijn woning gebreken of leemten in kennis vertoont op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de conclusies daarvan niet kunnen worden gevolgd.

Het betoog faalt.

Luchtkwaliteit

23.    [appellant] vreest voor een aanmerkelijke verslechtering van de luchtkwaliteit rond de rotonde.

24.    De raad stelt zich op het standpunt dat de Wet luchtkwaliteit niet aan het plan in de weg staat omdat uit onderzoek naar de luchtkwaliteit dat is uitgevoerd door Adviesbureau Alcedo te Holten, is gebleken dat wordt voldaan aan de geldende grenswaarden volgens de Wet luchtkwaliteit. In het betreffende rapport wordt geconcludeerd dat de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor de ontwikkeling omdat er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarden.

25.    [appellant] heeft niet onderbouwd waarom het luchtkwaliteitsonderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de raad zich niet in redelijkheid op de uitkomsten daarvan heeft kunnen baseren.

Het betoog faalt.

Alternatief

26.    [appellant] vreest dat de rotonde de doorstroming van verkeer in de omgeving van zijn woning onevenredig belemmerd en leidt tot veel optrekkend en afremmend verkeer en daarmee tot geluidsoverlast en uitstoot van gassen. Hij betoogt dat de raad onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar mogelijke alternatieven voor de rotonde. Daarbij heeft hij gewezen op de mogelijkheid van de aanleg van een kruispunt met voorsorteerstroken. Bij een dergelijke kruising hoeft er alleen als er in- of uitvoegend verkeer is te worden afgeremd en daarmee opgetrokken. Bij een rotonde moet door ieder voertuig worden afgeremd, ongeacht of er kruisend verkeer is.

27.    De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

28.    In de nota van zienswijzen is het volgende aangegeven omtrent het door [appellant] aangedragen alternatief. De provincie Utrecht hanteert een rotonde tenzij-beleidslijn. Dit wil zeggen dat bij aanpassing van kruisingen in provinciale wegen in principe een rotonde wordt aangelegd, tenzij deze niet inpasbaar is. Uit onderzoek blijkt volgens de provincie dat een rotonde 70% verkeersveiliger is dan een andere kruispuntvorm. De rotonde is in deze situatie een goede oplossing met betrekking tot verkeersveiligheid en oversteekbaarheid en goed inpasbaar op de locatie. Met de aanleg van de rotonde is de snelheid ter plaatse van de oversteek laag en bij mogelijke ongevallen is de kans op blijvend letsel daardoor veel kleiner dan bij andere oplossingen. Bij het scheiden van de weghelften en het opstellen van een voertuig in het midden (vanuit de Noord Linschoterdijk of G. van de Valk Boumanstraat) een middenstuk van 6 m breed nodig om een auto goed te laten opstellen. Verder is er een linksafvak nodig (vanuit Woerden) om het verkeer ongehinderd te laten wachten op de provinciale weg om af te slaan naar de G. van de Valk Boumanstraat. Een linksafvak samen met een middenstuk is vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid niet gewenst. Door het aanbrengen van dit linksafvak wordt de oversteekafstand langer, omdat dan meer rijstroken moeten worden overgestoken vanaf de zijwegen. Dit maakt de situatie onveiliger. Tevens zou een linksafvak nodig zijn voor verkeer richting Landgoed Linschoten, omdat hier ook veel landbouwvoertuigen afslaan en deze afslag naar het landgoed in de huidige situatie al voor onveilige situaties aanleiding geeft met achterop komend verkeer. Daarnaast zou, omdat de weg in een bocht ligt de bocht een verkanting moeten krijgen, die de oversteekbaarheid van de weg voor langzaam verkeer verslechtert. Tevens lokt de verkanting van de weg het in één keer oversteken vanaf de Noord Linschoterdijk uit, wat afdoet aan een veilige oversteek. De rotonde kan bovendien zorgen voor een betere doorstroming voor verkeer vanuit de G. van de Valk Boumanstraat of vanaf de Noord Linschoterdijk dan in de huidige situatie of situatie met een linksafvak, omdat er geen sprake meer is van een voorrangskruising.

     De provincie heeft tevens een alternatief kruispunt met voorsorteervakken conform de landelijke richtlijnen voor Duurzaam Veilig op tekening uitgewerkt. Hieruit blijkt het volgende.

- het asfaltoppervlak van een kruispunt met voorsorteervakken op deze locaties is circa 20 % groter dan de geplande rotonde en er moet veel meer grond worden verworven (circa 3.000 m2);

- de gemiddelde rijsnelheid op rotondes is 30 km/uur. De huidige maximumsnelheid op deze kruising is 80 km/uur. Het is conform de richtlijnen mogelijk om op een kruispunt een maximum snelheid van 60 km/uur in te stellen, mits er een plateau of drempels worden aangelegd. Bij een snelheid van 60 km/uur is het oversteken van de N204 nog steeds risicovoller dan bij een rotonde;

- de aanleg van een kruising met voorsorteervakken is aanzienlijk duurder dan de aanleg van een rotonde;

- een rotonde heeft vier conflictpunten (een locatie waar autoverkeer elkaar kan hinderen) en een voorrangskruising heeft er 24.

29.    Deze argumenten heeft de raad in de afweging betrokken. Gelet hierop heeft de raad gemotiveerd afgezien van het alternatief.

Het betoog faalt.

30.    Het beroep is ongegrond.

31.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, griffier.

w.g. Slump    w.g. Ouwehand

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2017

224.