ECLI:NL:RVS:2017:1385 Raad van State , 24-05-2017 / 201608251/1/A2

Uitspraak

201608251/1/A2.

Datum uitspraak: 24 mei 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 15 september 2016 in zaak nr. 16/1654 in het geding tussen:

[appellant]

en

de commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: de CSG).

Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 2015 heeft de CSG een aanvraag van [appellant] om een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven afgewezen.

Bij besluit van 5 februari 2016 heeft de CSG het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 september 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De CSG heeft gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid een schriftelijke uiteenzetting te geven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 mei 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. S.C. Leede, advocaat te Utrecht, en de CSG, vertegenwoordigd door mr. J.C.M. van de Weerd, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Op 17 maart 2015 heeft [appellant] bij de CSG een aanvraag om een uitkering uit het schadefonds ingediend in verband met een steekincident. Bij dat incident, dat heeft plaatsgevonden op 25 maart 2012, is [appellant] in zijn borst gestoken en heeft daarbij een klaplong opgelopen. Ook is hij in zijn gezicht gestoken.

2.    Aan het besluit van 5 februari 2016 heeft de CSG ten grondslag gelegd dat, gelet op het onherroepelijke vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank van 6 februari 2014, is gebleken dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer en dat [appellant] dus niet het slachtoffer is van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf, als bedoeld in artikel 3 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg).

Betoog in hoger beroep

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de CSG zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij niet het slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte op basis van het vonnis van de strafrechter en het onderliggende dossier heeft aangenomen dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer. De bewijskracht van een strafvonnis ziet volgens hem niet op een rechtvaardigingsgrond als noodweer. Daartoe voert hij aan dat hij geen rol in de feitenvaststelling in de strafprocedure had. Ook kon hij geen hoger beroep instellen tegen het vonnis van de strafrechter. Ook heeft de rechtbank miskend dat het steken met een mes als reactie op een klap disproportioneel is, aldus [appellant]. Nu de strafrechter het bewezen acht dat sprake was van een poging tot doodslag, is het volgens hem onbegrijpelijk dat niet zou zijn voldaan aan het gestelde in artikel 3 van de Wsg. Uit artikel 3 van de Wsg volgt volgens hem niet dat hij aannemelijk hoeft te maken dat hij uitsluitend slachtoffer is van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. In dat geval zou niet toegekomen kunnen worden aan de beoordeling van het eigen aandeel, zoals bedoeld in artikel 5 van de Wsg.

Wettelijk kader en beleid

4.    Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven: ‘Uit het fonds kunnen uitkeringen worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen.’

Artikel 5: ‘Een uitkering kan achterwege blijven of op een geringer bedrag worden bepaald, indien de toegebrachte schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan het slachtoffer of de nabestaande is toe te rekenen.’

5.     Bij het beoordelen van een aanvraag om een uitkering uit het schadefonds hanteert de CSG beleid. Dit beleid is neergelegd in de zogeheten Beleidsbundel.

5.1.    Volgens paragraaf 1.1.2 van de Beleidsbundel, zoals die ten tijde van belang luidde, moet het geweldsmisdrijf met opzet zijn gepleegd. ‘Opzet’ is een juridisch begrip uit het strafrecht en komt er kort gezegd op neer dat de dader willens en wetens handelde. Bij een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf moet de dader het slachtoffer dus willens en wetens letsel hebben toegebracht.

5.2.    Volgens paragraaf 1.1.4 hoeft een geweldsmisdrijf niet bewezen te worden (zoals bij de strafrechter), maar moet dit aannemelijk worden gemaakt. Een uitspraak van een strafrechter in eerste aanleg is voor het Schadefonds meestal voldoende om te bepalen of een geweldsmisdrijf aannemelijk is.

Het vonnis van de strafrechter

6.     In het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank van 6 februari 2014 is onder meer het volgende overwogen.

De rechtbank acht, zoals in rubriek 4.3 overwogen, bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzettelijk met een mes in de borst van het slachtoffer heeft gestoken. Ook is, gelet op de bewijsmiddelen, komen vast te staan dat verdachte zich in een situatie bevond waarin de verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke gewelddadige aanranding door het slachtoffer en zijn vrienden geboden was. Hierbij speelt een rol dat verdachte tegenover het slachtoffer en zijn vrienden in de minderheid was, zijn vriendin kon daarvoor van achter was aangevallen en neergegaan en hij op enig moment, het moment waarop het slachtoffer denkt dat hij gestoken is, ruggelings tegen/over een betonnen afzetting geklemd stond.

De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden het verdedigingsmiddel in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Ook is de rechtbank van oordeel dat er op dat moment geen andere uitweg voor verdachte meer was. Gelet op het bovenstaande komt verdachte een geslaagd beroep op noodweer toe.

Omdat de rechtbank het handelen van de verdachte niet strafbaar acht, heeft de rechtbank de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging.

Oordeel in hoger beroep

7.    Uit de overwegingen van het vonnis van de strafrechter volgt dat is aangetoond dat de verdachte opzet of voorwaardelijk opzet had om [appellant] in zijn borst en het gezicht te steken en daarbij heeft gehandeld uit noodweer. Dat betekent dat het handelen van de verdachte geen misdrijf is en dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 3 van de Wsg. Hieraan doet niet af, zoals [appellant] betoogt, dat uit het vonnis volgt dat de verdachte (voorwaardelijk) opzettelijk heeft gehandeld. Nu aan de verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt, is [appellant] daarmee niet het slachtoffer van een geweldsmisdrijf. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de SCG terecht geen toepassing gegeven aan artikel 5 van de Wsg, reeds omdat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 3 van de Wsg. Het SCG stelt zich ook terecht op het standpunt dat maatschappelijk solidariteit in de vorm van een uitkering uit het schadefonds onder deze omstandigheden niet is aangewezen.

8.    Anders dan [appellant] betoogt, mocht de CSG op grond van het vonnis van de strafrechter ervan uitgaan dat de verdachte uit noodweer heeft gehandeld. Dat de verklaringen van de verdachte en zijn vriendin enerzijds en die van [appellant] en zijn vrienden anderzijds uiteenlopen en niet consistent zijn over aanleiding en verloop van het incident, betekent niet dat de CSG het oordeel van de strafrechter over het beroep op noodweer van de verdachte niet heeft mogen volgen. In het vonnis van de strafrechter is vermeld dat de verklaringen van [appellant] en zijn vrienden onderling behoorlijk van elkaar verschillen. De verklaringen van de verdachte en zijn vriendin bieden daarentegen een duidelijk beeld en worden, voor zover het incident op camera is vastgelegd, door camerabeelden onderbouwd. In het vonnis zijn deze verklaringen als uitgangspunt genomen voor wat zich feitelijk heeft afgespeeld. Dat [appellant], zoals hij betoogt, geen hoger beroep kon instellen tegen het vonnis van de strafrechter, omdat hij niet de verdachte was in die zaak, laat onverlet dat de SCG zich mocht baseren op de feitenvaststelling in het vonnis van de rechtbank. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Planken

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2017

299.