ECLI:NL:RVS:2017:1395 Raad van State , 24-05-2017 / 201604578/1/A1

Uitspraak

201604578/1/A1.

Datum uitspraak: 24 mei 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 12 mei 2016 in zaak nr. 15/4139 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Edam-Volendam.

Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2015 heeft het college geweigerd aan [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van een dakopbouw op het perceel [locatie] te Volendam (hierna: het perceel).

Bij besluit van 6 augustus 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 mei 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft daartoe in de gelegenheid gesteld een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 april 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. A. Jonk, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.E.D. Kaagman en M. Smit, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] is eigenaar van het perceel. Bij besluit van 15 september 2014 heeft het college hem een omgevingsvergunning verleend voor het slopen van de bestaande bebouwing op het perceel en het bouwen van een winkel met daarboven twee appartementen.

     Op 19 januari 2015 heeft [appellant] omgevingsvergunning gevraagd voor de bouw van een dakopbouw tussen de kappen van de twee appartementen op de tweede bouwlaag. Deze dakopbouw is inmiddels gerealiseerd.

2.    Voor het perceel geldt het bestemmingsplan "Europaplein/Zeestraat e.o.", vastgesteld door de raad van de gemeente Edam Volendam bij besluit van 28 november 2013 en gewijzigd door het wijzigingsplan "[locatie]" bij besluit van het college van 22 juli 2014 (hierna: het bestemmingsplan).

3.    De relevante regelgeving, waaronder de relevante regels van het bestemmingsplan, is opgenomen in een bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Verloop van de procedure

4.    Het college heeft de gevraagde vergunning geweigerd omdat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Volgens het college voorziet het bouwplan in een overschrijding van de in het bestemmingsplan maximaal toegestane goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4 meter en 8,5 meter.    

     Daarnaast is het bouwplan volgens het college in strijd met artikel 4 van de planregels, omdat de dakopbouw leidt tot een onevenredige aantasting van het uitgangspunt van kleinschaligheid binnen het cultuurhistorisch attentiegebied. Volgens het college voldoet de dakopbouw dan ook niet aan de uitgangspunten van de Erfgoedverordening.

    Het college is niet bereid van het bestemmingsplan af te wijken, onder meer omdat hij de dakopbouw in strijd acht met de cultuurhistorische waardestelling als opgenomen in bijlage 3 bij het bestemmingsplan en met de van toepassing zijnde uitgangspunten van de Erfgoedverordening.

5.    De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de gevraagde vergunning heeft kunnen weigeren omdat het bouwplan voorziet in een overschrijding van de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte en omdat het college bovendien voldoende heeft gemotiveerd waarom hij het bouwplan in strijd acht met artikel 4 van de planregels. Volgens de rechtbank heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat het niet wenselijk is om op deze punten van het bestemmingsplan af te wijken.

     De rechtbank heeft het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet gehonoreerd. Volgens de rechtbank heeft het college voldoende gemotiveerd dat geen sprake is van gelijke gevallen.

Bespreking van het hoger beroep

6.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de gevraagde vergunning heeft kunnen weigeren wegens strijd met artikel 3 van de planregels. Volgens [appellant] komt in dit geval geen doorslaggevende betekenis toe aan de maximaal toegestane goothoogte van 4 meter omdat in de omgevingsvergunning van 15 september 2014 reeds onverkort een goothoogte van 5,92 meter voor het tussendakvlak is toegestaan, in afwijking van het bestemmingsplan. Ook stelt hij dat het college voor de overschrijding van de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van een van de afwijkingsbevoegdheden uit de artikelen 6 en 8 van de planregels. Daarbij voert hij aan dat artikel 6 voorziet in een ongeclausuleerde afwijkingsbevoegdheid van 10% en dat artikel 8 voorziet in een afwijkingsbevoegdheid van 10% voor gevallen waarin, zoals volgens hem in dit geval aan de orde is, sprake is van een dringende bouwtechnische reden. Volgens [appellant] heeft de rechtbank dit ten onrechte niet onderkend.     Hij betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de gevraagde vergunning in strijd heeft kunnen achten met artikel 4 van de planregels en dat het college geen medewerking behoefde te verlenen aan een afwijking van het bestemmingsplan. Volgens [appellant] is het welstandsadvies, dat op dit punt aan het besluit van het college ten grondslag ligt, gebaseerd op een oneigenlijk beeld van de feitelijke situatie ter plaatse. Daarbij stelt hij dat het college, dat deze gegevens aan de welstandscommissie heeft verstrekt, heeft gehandeld in strijd met artikel 3:7, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

6.1.    Voor het perceel geldt een maximale goothoogte van 4 meter en een maximale bouwhoogte van 8,5 meter.

     De artikelen 6 en 8 van de planregels bevatten zogenoemde binnenplanse afwijkingsmogelijkheden waarmee, al dan niet onder voorwaarden, met 10% kan worden afgeweken van de maximale bouwhoogte respectievelijk van de aangeduide goot- en bouwhoogte.

    Daarnaast is het college bevoegd om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in samenhang met artikel 4, aanhef en onder 4, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van de dakopbouw.

6.2.    Van de hiervoor vermelde bevoegdheden kan ingevolge het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 1º en 2º, van de Wabo slechts gebruik worden gemaakt indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

     Daarnaast geldt dat het college bij zijn besluitvorming over een aanvraag als hier aan de orde beleidsruimte heeft. Dat betekent in dit geval dat het college de keuze heeft om zijn bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan al dan niet te gebruiken. De rechter toetst of het college bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

6.3.    De rechtbank heeft overwogen dat het bouwplan voorziet in een goothoogte van 5,94 meter en een bouwhoogte van 8,76 meter. Deze maatvoering is vermeld op een globale bouwtekening van de dakopbouw die onderdeel uitmaakt van de aanvraag.

    De Afdeling stelt aan de hand van een detailtekening van de dakopbouw, die eveneens onderdeel uitmaakt van de aanvraag, evenwel vast dat het bouwplan voorziet in een goothoogte van 6,18 meter. Het college en [appellant] hebben dit ter zitting bevestigd.

6.4.    Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de in het bouwplan voorziene goothoogte niet kan worden toegestaan op basis van de op 15 september 2014 verleende omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan. Een dergelijke vergunning voor afwijking van het bestemmingsplan kan uitsluitend betrekking hebben op een bepaald bouwplan. Deze vergunning kan zich niet mede uitstrekken tot eventuele toekomstige vergunningaanvragen voor andere bouwplannen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 15 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3678). Het college heeft zich in dit geval terecht op het standpunt gesteld dat de aanvraag ziet op een ander bouwplan dan het bouwplan waarvoor op 15 september 2014 omgevingsvergunning voor afwijking is verleend, zodat aan die vergunning geen betekenis toekomt bij de beoordeling van de aanvraag. Daarbij wijst de Afdeling er overigens op dat de in het bouwplan voorziene goothoogte van 6,18 meter ruimschoots hoger is dan de goothoogte van 5,92 meter die volgens [appellant] reeds is toegestaan op basis van de op 15 september 2014 verleende vergunning.

6.5.    De Afdeling stelt verder vast dat de in het bouwplan voorziene goothoogte van 6,18 meter ruimschoots hoger is dan de goothoogte van 4,40 meter die kan worden toegestaan met toepassing van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van 10%. Reeds hierom heeft de rechtbank het college kunnen volgen in zijn keuze om geen toepassing te geven aan een van de afwijkingsbevoegdheden uit de artikelen 6 en 8 van de planregels. De vraag of artikel 6 een ongeclausuleerde afwijkingsbevoegdheid van 10% bevat en de vraag of in dit geval dringende bouwtechnische redenen aanwezig zijn om af te wijken van de aangeduide goot- en bouwhoogte als bedoeld in artikel 8, behoeft dan ook geen bespreking meer.

6.6.    Het college is niet bereid om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2º, van de Wabo in samenhang met artikel 4, aanhef en onder 4, van bijlage II bij het Bor omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van de dakopbouw. Daartoe acht het college van belang dat het bouwplan niet alleen in strijd is met de in het bestemmingsplan gestelde bouwregels, maar eveneens in strijd is met artikel 4 van de planregels, waaraan hij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wil vasthouden.

6.7.    Het perceel ligt in een gebied waaraan een dubbelbestemming is toegekend ter bescherming van het op die gronden aanwezige cultureel erfgoed. Deze dubbelbestemming voorziet erin dat aan het gebied, overeenkomstig het bepaalde in de Erfgoedverordening, een bescherming toekomt die gelijk is aan de bescherming van een gemeentelijk monument.

Volgens het college zijn in het desbetreffende gebied met name kleine panden met afzonderlijke kapvormen, zoals een zadeldak, aanwezig. Deze bebouwingskarakteristiek wil het college behouden, onder meer door de samenvoeging van panden en de bouw van dakopbouwen tegen te gaan. Het plaatsen van een dakopbouw zoals voorzien in de aanvraag betekent volgens het college een aantasting van de toegepaste kapvormen, bouwmassa en bebouwingsstructuur.

     Bij de bescherming van het cultureel erfgoed in het gebied speelt de zichtbaarheid van de bebouwing vanaf het openbaar toegankelijk gebied weliswaar een beperkte rol, maar die zichtbaarheid is - nu het met name gaat om een beslissing op stedenbouwkundig niveau met het oog op het behoud van de kleinschaligheid en de 19e-eeuwse stedenbouwkundige structuur - niet doorslaggevend, zo heeft het college toegelicht.

     Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank de hierboven weergegeven benadering van het college niet redelijk heeft kunnen achten.

6.8.    Gelet op de ligging van het perceel van [appellant] in het cultuurhistorisch attentiegebied, heeft het college het bouwplan voorgelegd aan de Stichting Welstandszorg Noord-Holland (hierna: de welstandscommissie). In hetgeen [appellant] naar voren heeft gebracht, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college bij het verstrekken van gegevens aan de welstandscommissie heeft gehandeld in strijd met artikel 3:7, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, reeds omdat de zichtbaarheid van de dakopbouw vanaf het openbaar toegankelijk gebied - zoals blijkt uit hetgeen hiervoor onder 6.7 is overwogen - geen doorslaggevende rol heeft gespeeld in de afweging. Daarbij wijst de Afdeling er overigens op dat het college ter zitting aannemelijk heeft gemaakt dat de dakopbouw vanaf een aantal plaatsen in het openbaar toegankelijk gebied wel zichtbaar is.

6.9.    De welstandscommissie heeft in het advies aangegeven dat zij bezwaar maakt tegen de dakopbouw, omdat deze afbreuk doet aan de verschijningsvorm en kleinschaligheid van de twee onderliggende panden. Dit advies is niet alleen gebaseerd op de door het college ter beschikking gestelde foto's, maar ook op de bouwtekeningen die deel uitmaken van de aanvraag en op de cultuurhistorische waarde van het gebied, zoals nader omschreven in de Erfgoedverordening. Daarbij heeft de commissie erop gewezen dat de Erfgoedverordening een verdere aantasting van de authentieke gebiedskenmerken beoogt te voorkomen.

     Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor de conclusie dat het advies van de welstandscommissie zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Nu [appellant] evenmin een advies heeft overgelegd van een andere ter zake deskundig te achten persoon of instantie, waarbij [appellant] er voor had kunnen kiezen om een ander adviesbureau te benaderen dan het door hem genoemde advieskantoor dat deze opdracht niet wilde aannemen, heeft het college er, mede op basis van het bovengenoemde advies, vanuit kunnen gaan dat bouwplan in strijd is met het bepaalde in artikel 4 van de planregels.

    Gelet op het belang dat is gediend met het behoud van de cultuurhistorische waarden van het gebied en mede gezien het belang van het voorkomen van precedentwerking op plaatsen waar voorgenomen bebouwing goed zichtbaar is vanaf het openbaar toegankelijk gebied, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet wenselijk is om ten behoeve van de in het bouwplan voorziene dakopbouw van het bestemmingsplan af te wijken.

6.10.    De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het college in het vorenstaande aanleiding heeft kunnen zien om de gevraagde vergunning te weigeren. Het betoog faalt.

7.    [appellant] betoogt dat de rechtbank zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel ten onrechte heeft verworpen. Daarbij wijst hij onder meer op andere percelen in de buurt waar tussenliggende dakopbouwen zijn gerealiseerd die veel massaler en beter zichtbaar zijn dan zijn eigen dakopbouw.

7.1.    Hetgeen [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd over het gelijkheidsbeginsel betreft een herhaling van hetgeen hij in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank is hierop in de aangevallen uitspraak gemotiveerd ingegaan. In hetgeen [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de weerlegging van de desbetreffende gronden en argumenten in de aangevallen uitspraak onjuist is. Daarbij volgt de Afdeling [appellant] niet in zijn stelling dat een aantal andere dakopbouwen in de omgeving van zijn perceel weliswaar is vergund onder het vorige planologische regime, maar dat toch sprake is van met zijn situatie vergelijkbare gevallen, omdat ten tijde van die vergunningverlening een voorbereidingsbesluit gold. De rechtbank heeft hierover terecht geoordeeld dat de desbetreffende gevallen rechtens niet vergelijkbaar zijn met de situatie van [appellant], omdat bij die vergunningverlening niet is getoetst aan de nadien vastgestelde Erfgoedverordening en het nadien vastgestelde bestemmingsplan "Europaplein/Zeestraat e.o". Verder heeft [appellant] in de periode voorafgaand aan de vaststelling van de Erfgoedverordening en het bestemmingsplan "Europaplein/Zeestraat e.o" weliswaar overleg gevoerd met de gemeente over een mogelijke bouwaanvraag voor een dakopbouw, maar [appellant] heeft destijds zelf de keuze gemaakt om hiervoor geen vergunningaanvraag in te dienen.

     Hetgeen [appellant] ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel heeft aangevoerd, geeft dan ook geen aanleiding voor een vernietiging van de aangevallen uitspraak.

7.2.    Het betoog faalt.

Conclusie

8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.I. Breunese-van Goor, griffier.

w.g. Van Sloten    w.g. Breunese-van Goor

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2017

208. BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:7

1. Het bestuursorgaan waaraan advies wordt uitgebracht, stelt aan de adviseur, al dan niet op verzoek, de gegevens ter beschikking die nodig zijn voor een goede vervulling van diens taak.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

(…)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (…).

Artikel 2.12

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Besluit omgevingsrecht

Bijlage II, artikel 4

Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking: (…)

4. een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw (…).

Bestemmingsplan "Europaplein/Zeestraat e.o."

Ingevolge het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming "Centrum". Daarnaast zijn in het bestemmingsplan aan het perceel de dubbelbestemming "Waarde - Edams - Volendams erfgoed" en de gebiedsaanduiding "overige zone - cultuurhistorisch attentiegebied" toegekend.

Artikel 3.2 Bouwregels

3.2.1 Bouwregels voor gebouwen en bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: (…)

c. de goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven (…).

Op de verbeelding is ter plaatse van het perceel een maximum bouwhoogte van 8,5 meter en een maximum goothoogte van 4 meter aangegeven.

Artikel 4 Waarde - Edams - Volendams erfgoed

4.1 Bestemmingsomschrijving

a. De voor 'Waarde - Edams - Volendams Erfgoed' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en) mede bestemd voor de bescherming van het op die gronden aanwezige cultureel erfgoed;

b. de voor 'Waarde - Edams - Volendams Erfgoed' aangewezen gronden kennen de volgende onderverdeling van het op die gronden aanwezige cultureel erfgoed, waarbij het hierna genoemde erfgoed overeenkomstig het bepaalde in de gemeentelijke Erfgoedverordening de status heeft van gemeentelijk monument:

1. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - cultuurhistorisch attentiegebied': cultuurhistorisch attentiegebied, met dien verstande dat sprake is van een gebied gekenmerkt door een samenhangende ruimtelijke, cultuurhistorische en-/of architectonische waarde, zoals omschreven in de bij deze regels opgenomen bijlage 3 (Cultuurhistorische Verkenning Oude Kom Volendam) en dat wordt beschermd.

Artikel 4.2 Bouwregels

Op de voor 'Waarde - Edams - Volendams Erfgoed' aangewezen gronden, voor zover het daarbij gaat om beschermde gemeentelijke monumenten, mag uitsluitend worden gebouwd indien:

a. bebouwing mogelijk is krachtens de onderliggende bestemming en;

b. de bestaande cultuurhistorische waardestelling niet onevenredig wordt aangetast door wezenlijke veranderingen in het stedenbouwkundige en architectonische beeld, bepaald door situering, massa, kapvorm, hoogtematen, gevel- en raamindeling en gevelafwerking met kleur en materiaalgebruik, zulks met inbegrip van waardevolle details en;

c. de bouwwerkzaamheden niet strijdig zijn met:

1. de toegekende cultuurhistorische waardestelling zoals neergelegd in de bij deze regels opgenomen bijlage 3 en bijlage 4;

2. de van toepassing zijnde uitgangspunten uit de Erfgoedverordening.

Artikel 4.3 Afwijken van de bouwregels

4.3.1 Afwijken cultuurhistorisch attentiegebied

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.2 om ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - cultuurhistorisch attentiegebied', met uitzondering van de daar aanwezige karakteristiek waardevolle bouwwerken, beeldbepalende bouwwerken en waardevolle cultuurhistorische elementen:

1. bestaande bouwwerken c.q. hoofdgebouwen geheel of gedeeltelijk te vernieuwen conform de onderliggende bestemming, met inachtneming van:

a. de toegekende cultuurhistorische waardestelling zoals neergelegd in de bij deze regels opgenomen bijlage 3: Cultuurhistorische Verkenning Oude Kom Volendam, gemeente Edam-Volendam, deelrapport 1 tot en met 4, MSP en R2OB, 2012;

b. de van toepassing zijnde richtlijnen uit de Erfgoedverordening.

2. geheel nieuwe bouwwerken c.q. hoofdgebouwen te bouwen conform de onderliggende bestemming, met inachtneming van:

a. de toegekende cultuurhistorische waardestelling zoals neergelegd in de bij deze regels opgenomen bijlage 3: Cultuurhistorische Verkenning Oude Kom Volendam, gemeente Edam-Volendam, deelrapport 1 tot en met 4, MSP en R2OB, 2012;

b. de van toepassing zijnde richtlijnen uit de Erfgoedverordening.

Artikel 6 Algemene bouwregels

6.1 Algemeen

a. De bouwhoogte van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, luchtbehandelingkasten, liftkokers, lichtkappen en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen bedraagt ten hoogste 2 m ten opzichte van de voor het betreffende perceel geldende maatvoering;

b. de maximale bouwhoogte zoals aangeduid ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' mag met 10% worden overschreden;

c. de grenzen van het bouw- c.q. bestemmingsvlak mogen naar de buitenzijde worden overschreden door:

1. plinten, pilasters, gevelversieringen, ventilatiekanalen en schoorstenen;

2. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken, mits de bouwgrens met niet meer dan 0,50 m wordt overschreden;

3. kozijnen, mits de bouwgrens met niet meer dan 0,25 m wordt overschreden;

d. dakkapellen mogen uitsluitend op hoofdgebouwen worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels en voor zover in overeenstemming met de criteria van de welstandsnota (…).

Artikel 8 Algemene afwijkingsregels

In afwijking van de desbetreffende regels van het plan kan het bevoegd gezag omgevingsvergunning verlenen voor:

a. het afwijken van de aangeduide goot- en bouwhoogte als er daarvoor dringende bouwtechnische redenen aanwezig zijn, mits:

1. de afwijking niet meer bedraagt dan 10%;

2. een goede aansluiting ontstaat op bestaande gebouwen en bouwwerken;

3. de dakhelling niet meer bedraagt dan de gemiddelde dakhelling in de omgeving;

4. de vergroting inpasbaar is binnen het straat- en bebouwingsbeeld (geen onevenredige aantasting);

5. belangen van derden niet geschaad worden;

6. de vergroting niet leidt tot een onevenredige parkeerdruk (…).