ECLI:NL:RVS:2017:1397 Raad van State , 24-05-2017 / 201609164/1/R6

Uitspraak

201609164/1/R6.

Datum uitspraak: 24 mei 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Zeijen, gemeente Tynaarlo,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Tynaarlo,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2016, nr. 17, heeft de raad het bestemmingsplan "Minister Cremerstraat 8 te Zeijen" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [initiatiefnemer], initiatiefnemer van het project dat het plan mogelijk maakt, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 maart 2017, waar [appellant], bij monde van [appellant B], bijgestaan door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door N.Y.D. Schipper-Simonis en H. Feenstra, zijn verschenen. Voorts is [initiatiefnemer], vertegenwoordigd door [gemachtigden], ter zitting gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Met het plan wordt beoogd een woonzorgcomplex op het perceel Minister Cremerstraat 8 in de nabijheid van het dorp Zeijen mogelijk te maken. Daartoe voorziet het plan in de bouw van 16 levensloopbestendige woningen en een gebouw met 4 kamers die zijn bedoeld voor bed en breakfast. De bestaande boerderij op het perceel wordt getransformeerd tot een ontmoetingsplek en zorgsteunpunt. Tevens worden hierin 4 kamers gerealiseerd voor bed en breakfast.

2.    [appellant] woont op het perceel [locatie] ten noorden van het plangebied. Hij kan zich niet verenigen met het plan, omdat hierdoor volgens hem een kleine woonwijk in het buitengebied kan ontstaan, waardoor het landelijke karakter van de omgeving wordt aangetast.

Toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Ontvankelijkheid

4.    De raad brengt naar voren dat [appellant] woont op het aangrenzende perceel [locatie] te Zeijen, maar dat hij vanaf dit perceel geen zicht heeft op het perceel en de hierop voorziene bebouwing waarop het plan ziet, omdat de zichtlijn wordt onderbroken door groenvoorzieningen die ter plaatse aanwezig zijn.

4.1.    Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt:

"Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."

4.2.    Vaststaat dat de woning van [appellant] op ongeveer 80 m van het perceel staat waarop het plan ziet. In verband hiermee en gelet op de aard en de omvang van de ruimtelijke ontwikkeling die het plan mogelijk maakt, heeft [appellant] een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang. Dit is ook het geval indien zou moeten worden aangenomen dat de groenvoorzieningen die ter plaatse aanwezig zijn, het perceel Minister Cremerstraat 8 en de hierop voorziene bebouwing aan het zicht van [appellant] vanaf zijn perceel onttrekken. In dit verband is van belang dat deze groenvoorzieningen bescheiden van omvang zijn. [appellant] is derhalve belanghebbende bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

Beroepsgronden

5.    [appellant] betoogt dat het plan in strijd is met de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe (hierna: verordening), omdat uit de artikelen 3.23 en 3.24 en de toelichting hierop kan worden afgeleid dat het in beginsel niet is toegestaan om woningbouw te realiseren in het buitengebied. Dat het college van gedeputeerde staten van Drenthe het beoogde project kwalificeert als een pilot, is onvoldoende om de beoogde woningbouw toe te staan.

    Voorts is het plan in strijd met het gemeentelijke beleid dat onder meer is neergelegd in het bestemmingsplan "Buitengebied Tynaarlo" en volgens welk beleid het gemeentebestuur nieuwbouw in het buitengebied in de regel niet zal toestaan.

    Verder stelt [appellant] dat de cultuurhistorische paragraaf in de toelichting op het plan erg mager is, omdat hierin niet de nodige informatiewaarde wordt gegeven wat betreft de kernkwaliteiten cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden.

    Voorts is het plan volgens [appellant] in strijd met de ladder duurzame verstedelijking in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). [appellant] stelt dat er voldoende woonzorginitiatieven in de regio zijn en dat de omstandigheid dat het zou gaan om een uniek project er niet toe dwingt om het project te realiseren in het buitengebied. Volgens [appellant] heeft de raad niet onderbouwd dat er een actuele regionale behoefte bestaat aan het beoogde woonzorgcentrum. Voorts wordt in de plantoelichting niet onderbouwd waarom de regionale behoefte niet kan worden opgevangen binnen het bestaande stedelijke gebied. Bovendien heeft de raad volgens [appellant] onvoldoende gemotiveerd dat de verkeersveiligheid in de Minister Cremerstraat niet door het plan in gevaar zal komen, gelet op de doelgroep van de beoogde voorzieningen en de omstandigheid dat zwaar landbouwverkeer van deze weg gebruik maakt.

Verweer

5.1.    De raad stelt dat het plan niet in strijd is met de (artikelen 3.23 en 3.24 van de) verordening. In de plantoelichting is ruimschoots aandacht besteed aan de cultuurhistorische, bodemkundige en archeologische aspecten. Verder is volgens de raad sprake van een ruimtebehoefte waarin elders in de regio nog niet is voorzien. Specifiek gaat het om een woonzorginitiatief dat uniek is in zijn soort in Drenthe en door de provincie is benoemd als pilot waaraan de provincie medewerking verleent. Het unieke karakter komt voort uit het voornemen om een zelfstandige woonfunctie te creëren in een groene omgeving buiten de bebouwde kom, waarbij een sterke koppeling aanwezig is met een zorg- en servicefunctie in combinatie met toerisme, aldus de raad. Het voorgenomen initiatief voorziet in een regionale behoefte. In de gemeente Tynaarlo, maar ook in de provincie is geen initiatief op vergelijkbare schaal aanwezig. Aan de voorwaarden van trede 1 van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro wordt dan ook voldaan. Verder is in de plantoelichting nader uitgewerkt waarom het initiatief buiten bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Verplaatsing van het voetbalveld ten behoeve van vestiging van de woonzorgfunctie lijkt volgens de raad financieel erg ingrijpend. Aan de vereisten van trede 2 wordt voldaan. Voorts heeft de Minister Cremerstraat een functie voor de ontsluiting van het dorp. Gelet op de snelheid van het verkeer op deze weg en het verkeersprofiel van deze weg, zal de verkeersveiligheid niet in gevaar komen. De locatie kan multimodaal worden ontsloten, zodat ook aan trede 3 wordt voldaan, aldus de raad.

5.2.    Artikel 3.23 (Ruimte-voor-ruimte regeling) van de verordening luidt:

    "1. Een ruimtelijk plan voor een gebied, niet gelegen binnen het Bestaand Stedelijk Gebied, kan voorzien in een ruimte-voor-ruimte regeling als in dat gebied voormalige agrarische bedrijfsbebouwing aanwezig is.

    2. De ruimte-voor-ruimte regeling wordt vormgegeven met inachtneming van het volgende:

    a. toepassing van de regeling is alleen mogelijk voor agrarische bedrijfsbebouwing die op 2 juni 2010 al aanwezig was;

    b. de randvoorwaarde dat de sloopnorm voor 1 compensatiewoning 750 m2 en 2.000 m2 voor 2 compensatiewoningen aan agrarisch bedrijfsbebouwing bedraagt;

    c. een beperkte afwijking van de onder b genoemde randvoorwaarde is mogelijk mits sprake is van een extra kwaliteitsslag;

    d. in het ruimtelijk plan mag de mogelijkheid worden geboden tot het samenvoegen van agrarische bebouwing op meerdere percelen (saldering) om te kunnen komen tot de sloopnorm van 750 m2 of tot 2.000 m2;

    e. randvoorwaarden voor inpassing, omvang, inhoud en uiterlijk van de compensatiewoning worden vastgelegd;

    f. de randvoorwaarde dat bouw van een compensatiewoning niet plaatsvindt in gebieden die op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 1 (Visiekaart 2020) met de functie ‘Natuur’ en ‘Beekdalen’ zijn aangeduid, tenzij:

    i. zich geen situatie voordoet als verwoord in artikel 3.35, eerste lid;

    ii. wordt voldaan aan hetgeen is opgenomen in artikel 3.36, tweede lid, onder c."

    Artikel 3.24 (Woningbouw) luidt:

    "1. Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen buiten het bestaand stedelijk gebied kan alleen voorzien in nieuwe woningbouw indien deze woningbouw past binnen de afspraken die de woonregio en de provincie hebben gemaakt over de woningbouwprogrammering en het gestelde in de regionale woonvisie en als in het desbetreffende ruimtelijk plan wordt onderbouwd dat deze regionale woonvisie voldoende actueel is.

    2. Incidentele bouwmogelijkheden buiten het bestaand stedelijk gebied zijn mogelijk in bepaalde gevallen zoals bedrijfswoningen, een tweede woning bij een agrarisch bedrijf, recreatiewoning, het splitsen van boerderijen in twee of meer woningen en nieuwbouw die past binnen de kaders van de provinciale rood-voor-groen dan wel de ruimte-voor-ruimte regeling."

Beoordeling beroepsgronden

5.3.    Vaststaat dat de ruimte-voor-ruimte regeling in artikel 3.23 van de verordening niet van toepassing is. De raad heeft ook niet beoogd hieraan toepassing te geven. Verder verzet, anders dan [appellant] betoogt, artikel 3.24 zich er niet tegen dat in een ruimtelijk plan wordt voorzien in nieuwe woningbouw in het buitengebied indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Uit de artikelsgewijze toelichting bij de verordening blijkt wel dat het doel van dit artikel hierin is gelegen dat gemeenten hun plannen voor woningbouw onderling afstemmen en vervolgens met de provincie afspraken maken over onder andere de programmering. Gelet op het voorgaande is het plan niet in strijd met de verordening. Het betoog faalt.

5.4.    In de toelichting op het plan staat dat volgens het vorige bestemmingsplan "Buitengebied Tynaarlo", dat de raad heeft vastgesteld op 28 mei 2013, het gemeentebestuur nieuwbouw dan wel een toename van het aantal woningen in het buitengebied in de regel niet zal toestaan. Uitzonderingen hierop kunnen volgens het vorige plan zijn: landgoederen of bijzondere woonmilieus (bijvoorbeeld een buitenplaats), splitsing van voormalige agrarische bebouwing en vervangende nieuwbouw of woningbouw in het kader van de ruimte-voor-ruimte regeling. Volgens de raad kan het beoogde project als bijzonder woonmilieu worden aangemerkt. De vraag of de raad voor het beoogde project een uitzondering heeft mogen maken op zijn beleid, zal de Afdeling hierna beoordelen.

5.5.    Naar het oordeel van de Afdeling is in het plan een uitvoerige cultuurhistorische, bodemkundige en archeologische toelichting gegeven in hoofdstuk 3 en de paragrafen 4.4, 4.6 en 4.7 van de plantoelichting en in de hierbij behorende bijlagen 2 (Schetsplan landschapsontwerp), 4 (Bodemonderzoek) en 6 (Archeologisch onderzoek). [appellant] heeft ter zitting niet aangegeven in welk opzicht deze toelichting in het plan naar zijn mening tekortschiet. Het betoog faalt.

5.6.    Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro luidt:

    "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende voorwaarden:

    a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

    b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

    c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld."

    Artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder a, luidt:

    "In dit besluit en de hierop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. wet: Wet ruimtelijke ordening; […]"

5.7.    Met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is beoogd vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. De ladder voor duurzame verstedelijking is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro nadrukkelijk in de plantoelichting wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.

5.8.    Vast staat dat het plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro mogelijk maakt. Het plan maakt een uitbreiding van de bebouwing mogelijk met ongeveer 50% en een wijziging van het gebruik voor woondoeleinden in een functie als woonzorgcentrum. De Afdeling licht dit als volgt toe.

In het bestemmingsplan "Buitengebied Tynaarlo" is het perceel Minister Cremerstraat 8 bestemd tot "Wonen". Bed and breakfast is ingevolge artikel 27, lid 27.1, onder b, van de planregels ook toegestaan. Ingevolge artikel 27, lid 27.2.2, was alleen de bestaande woning toegestaan en mochten er geen woningen worden bijgebouwd.

    Artikel 3.1 van het voorliggende plan luidt:

    "De voor 'Gemengd - Wonen en zorg' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

    a. wonen;

    b. kleinschalige horeca categorie 1;

    c. logies, al dan niet in combinatie met ziekenhuisverplaatste zorg/revalidatie en respijtzorg tot maximaal 8 kamers;

    d. zorgsteunpunt en dagbesteding;

    e. tuinen, erven, terreinen, parkeervoorzieningen, water en watergangen, straten en paden;

    f. nutsvoorzieningen;

    g. waterhuishoudkundige voorzieningen;

    h. groenvoorzieningen;

met dien verstande dat:

    i. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - beeldbepalend’ mede het behoud en herstel van de bebouwing is begrepen."

    Artikel 3, lid 3.2.1, luidt :

    "Voor het bouwen van gebouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

    a. het aantal wooneenheden bedraagt ten hoogste 17;

    b. de gebouwen en overkappingen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;

    c. de oppervlakte van het hoofdgebouw met de aanduiding ‘beeldbepalend’ bedraagt maximaal 475 m2;

    […]

    i. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - beeldbepalend’ dient de bestaande verschijningsvorm in de zin van bouw-/goothoogte, dakhelling en situering van bouwwerken te worden gehandhaafd."

5.9.    In de toelichting op het plan staat dat [initiatiefnemer] het voornemen heeft een innovatief woonconcept in de nabijheid van het dorp Zeijen te realiseren. De reeds bebouwde locatie ligt op circa 250 m van de bebouwde kom. Het voornemen beoogt volgens de toelichting een groene omgeving te creëren waar zelfstandig kan worden gewoond in 16 levensloopbestendige wooneenheden waarbij een beroep op zorg en/of service kan worden gedaan. De bestaande boerderij Huis te Zeijen wordt getransformeerd tot een ontmoetingsplek waar gezamenlijk kan worden gekookt en gegeten, een zorgsteunpunt in combinatie met dagbesteding en kleinschalige horeca. Het is de bedoeling ook 8 kamers te realiseren waar logiesgelegenheid wordt geboden al dan niet in combinatie met ziekenhuisverplaatste zorg/revalidatie en respijtzorg.

5.10.    De raad heeft de beoogde ontwikkeling aldus toegelicht dat deze ontwikkeling elders in de regio nog niet is voorzien. Het gaat om een woonzorg-initiatief dat uniek is in zijn soort in Drenthe. Het unieke karakter komt voort uit het voornemen om een zelfstandige woonfunctie te creëren in een groene omgeving buiten de bebouwde kom, waarbij een sterke koppeling aanwezig is met een zorg- en servicefunctie in combinatie met toerisme. De locatie is bijzonder gelegen, enerzijds omdat deze grenst aan het dorp Zeijen en anderzijds aan het nieuwe landgoed Zeijen en het Zeijerveld. Voor dit nieuwe concept heeft zich volgens de raad een aanzienlijke doelgroep gemeld bij de initiatiefnemer. Deze doelgroep heeft geen belangstelling voor woonvormen in een traditioneel verzorgings-/bejaardenhuis of appartementencomplex binnen de kern van een dorp of stad. Belangstellenden willen juist wonen op een landelijke plek met gelijkgestemden, waarbij zelfredzaamheid voorop staat. Volgens de raad speelt het initiatief in op de groeiende woonzorgbehoefte. Deze behoefte is breed aanwezig binnen de gemeente en de regio en niet specifiek plaatsgebonden. In het dorp Zeijen en omgeving blijkt uit gegevens van de initiatiefnemer een brede interesse onder bewoners te bestaan, aldus de raad.

    De raad heeft de actuele regionale behoefte aan de beoogde ontwikkeling willen onderbouwen in de plantoelichting. Daartoe heeft de raad in paragraaf 3.4 een tabel opgenomen die is ontleend aan het Centraal Bureau voor de Statistiek en die de bevolkingsontwikkeling van de gemeente Tynaarlo toont in de periode 2005-2030. Voorts is een tabel opgenomen die de behoefte aan verschillende woonvormen in 2015 en 2030 in de gemeente weergeeft. Deze tabel geeft de resultaten weer van het onderzoek dat is opgezet door twee studenten Makelaardij en Vastgoed naar woonwensen.

    De Afdeling is van oordeel dat de raad en [initiatiefnemer] weliswaar aannemelijk hebben gemaakt dat de beoogde ontwikkeling betrekking heeft op een bijzonder woonmilieu dat een afwijking van het gemeentelijke beleid dat is weergegeven in 5.4 rechtvaardigt en dat uniek is voor Drenthe, maar dat [appellant] terecht heeft betoogd dat de raad niet voldoende heeft onderbouwd dat er een actuele regionale behoefte bestaat aan het beoogde woonzorgcentrum. Hierbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat in het geheel niet duidelijk is of en in welke mate het bestaande aanbod in de regio reeds in de behoefte aan woonzorgvoorzieningen kan voorzien. Het besluit is in zoverre genomen in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef, onder a, van het Bro.

    Voorts maakt het plan het mogelijk 17 woningen te realiseren buiten de bebouwde kom van Zeijen zonder voorzieningen te realiseren voor ziekenhuisverplaatste zorg, revalidatie, respijtzorg, dagbesteding of zonder zorgsteunpunt. Het plan biedt geen waarborg dat bedoelde woningen en wooneenheden uitsluitend in combinatie met bedoelde voorzieningen worden gerealiseerd en aldus worden opgericht voor de doelgroep waarvoor deze hoofdzakelijk zijn bedoeld, namelijk voor mensen met een woonzorgbehoefte. Daar komt bij dat in het plan abusievelijk niet is vastgelegd welke oppervlakte maximaal mag worden bebouwd, zodat het gehele bouwvlak, dat ongeveer 6.000 m2 groot is, bebouwd mag worden. De Afdeling is van oordeel dat het plan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen.

    Het betoog slaagt in zoverre.

5.11.    Wat betreft de stelling van [appellant] dat de raad niet heeft onderbouwd waarom de regionale behoefte niet kan worden opgevangen binnen het bestaande stedelijke gebied, overweegt de Afdeling het volgende voor het geval dat voldoende kan worden onderbouwd dat er een actuele regionale behoefte bestaat aan het beoogde woonzorgcentrum. De ligging van de locatie van de beoogde ontwikkeling in combinatie met het woonzorg- en serviceprogramma is, gelet op het voorgaande, zodanig dat wordt ingespeeld op een specifieke woonzorgbehoefte. In verband hiermee is aannemelijk dat er binnen het bestaand stedelijk gebied niet of nauwelijks aan deze specifieke woonzorgbehoefte kan worden voldaan. Desondanks heeft de raad naar aanleiding van de suggestie van [appellant] in zijn zienswijze in zijn reactie hierop te kennen gegeven dat het verplaatsen van het voetbalveld in financieel opzicht ingrijpend is en de locatie van het voetbalveld onvoldoende bouwmogelijkheden biedt in verband met de ligging aan het beekdal. Het betoog faalt.

5.12.    Voor zover [appellant] heeft willen betogen dat het plangebied niet multimodaal is ontsloten als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder c, van het Bro heeft de raad toegelicht dat het beoogde woonzorgcomplex per auto en per autobus bereikbaar is. Het betoog faalt.

Relativiteit

6.    De raad betoogt dat artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan vernietiging van het plan, omdat [appellant] zich beroept op normen die niet strekken tot bescherming van zijn belangen.

6.1.    Zowel artikel 3.24 van de verordening als artikel  3.1.6, tweede lid, van het Bro beoogt vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik planologisch ongewenste versnippering en leegstand te voorkomen. Het belang van [appellant] is gelegen in het behouden van het landelijke karakter van de omgeving van zijn woning en het behouden van een goed woon- en leefklimaat. Genoemde bepalingen strekken tot bescherming van deze belangen, nu het in het belang van [appellant] is dat het perceel niet onnodig wordt bebouwd. Artikel 8:69a van de Awb staat niet in de weg aan vernietiging van het besluit wegens strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef, onder a, van het Bro en artikel 3:2 van de Awb.

Slotoverwegingen

7.    In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef, onder a, van het Bro en artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

8.    Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

9.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

    Wat betreft het verzoek van [appellant] om de raad te veroordelen in de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand overweegt de Afdeling het volgende.

    De kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand komen alleen voor vergoeding in aanmerking indien kenbaar is dat de rechtsbijstandverlener proceshandelingen heeft verricht. De Afdeling stelt echter vast dat alle gedingstukken door [appellant] op eigen naam zijn ingediend. Het verzoek om proceskostenveroordeling komt daarom in zoverre niet voor inwilliging in aanmerking.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Tynaarlo van 11 oktober 2016, nr. 17, waarbij het bestemmingsplan "Minister Cremerstraat 8 te Zeijen" is vastgesteld;

III.    draagt de raad van de gemeente Tynaarlo op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV.    veroordeelt de raad van de gemeente Tynaarlo tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 113,02 (zegge: honderddertien euro en twee cent);

V.    gelast dat de raad van de gemeente Tynaarlo aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.J.C. van den Broek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, griffier.

w.g. Van den Broek    w.g. Kooijman

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2017

177.