ECLI:NL:RVS:2017:1399 Raad van State , 24-05-2017 / 201603997/1/A1

Uitspraak

201603997/1/A1.

Datum uitspraak: 24 mei 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], zonder vaste woon- of verblijfplaats,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 26 april 2016 in zaak nr. 15/4358 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmerliede en Spaarnwoude.

Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2015 heeft het college [appellante] gelast de hut op het perceel kadastraal bekend gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude, sectie L nummer 3362, plaatselijk bekend [locatie] te Spaarndam, uiterlijk op 30 augustus 2015 te verwijderen en voorgoed verwijderd te houden en niet op een andere locatie binnen de gemeentegrenzen te plaatsen waar dat niet is toegestaan, onder aanzegging van bestuursdwang. Daarbij is bepaald dat indien op 31 augustus 2015 geconstateerd wordt dat de last niet binnen de termijn of niet geheel is uitgevoerd, de hut op 1 september 2015 van gemeentewege verwijderd zal worden en [appellante] na verwijdering door personeel van de gemeente naar een vervangende woning begeleid zal worden, indien zij het huurcontract daarvoor ondertekend.

Bij besluit van 2 juni 2015 heeft het college het besluit van 12 mei 2015 gewijzigd in die zin dat de passage "Na de verwijdering zal u door personeel van de gemeente naar een vervangende woning begeleid worden, indien u het huurcontract daarvoor ondertekend" komt te vervallen.

Bij besluit van 1 september 2015 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot en met 14 oktober 2015.

Bij besluit van 2 oktober 2015 heeft het college het door [appellante] tegen de besluiten van 12 mei 2015, 2 juni 2015 en 1 september 2015 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 8 oktober 2015 heeft het college het besluit van 2 oktober 2015 gewijzigd.

Bij uitspraak van 26 april 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] tegen de besluiten van 2 oktober 2015 en 8 oktober 2015 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 maart 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. B. Wernik, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J. de Buck, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Op het perceel bevindt zich een boomgaard. [appellante] verbleef sinds ongeveer 2004 in deze boomgaard in een zelfgemaakte hut bestaand uit afval, zoals boomstammen, schotten en doek. [appellante] stelt dat zij ten behoeve van recreanten rondleidingen gaf in de boomgaard en zorg droeg voor de natuur. Bij een controle in september 2013 is de hut in de boomgaard aangetroffen en geconstateerd dat deze door [appellante] werd bewoond. Het college heeft vervolgens besloten handhavend op te treden tegen de hut. Volgens het college is de hut gebouwd zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning en gebruikte [appellante] de hut in strijd met de ter plaatse ingevolge het bestemmingsplan "Hofambacht 2014" geldende bestemming "Recreatie" als woning en als haar hoofdverblijf. [appellante] is gedurende de bezwaarprocedure tweemaal vervangende woonruimte aangeboden die zij niet heeft geaccepteerd. [appellante] is nadien vertrokken uit de hut met onbekende bestemming. Op 15 oktober 2015 is bestuursdwang toegepast en is de hut verwijderd.

2.    Omdat de hut feitelijk is verwijderd rijst de vraag welk belang [appellante] heeft bij een uitspraak op het ingestelde hoger beroep. [appellante] heeft ter zitting te kennen gegeven dat zij gedurende de procedure altijd heeft gehoopt terug te kunnen keren naar haar voormalige verblijfplaats. Zij heeft het optreden van de gemeente als onrechtvaardig ervaren.

    Zoals hiervoor vermeld heeft het college op 15 oktober 2015 bestuursdwang toegepast en de hut verwijderd. [appellante] kan met het hoger beroep het door haar gewenste resultaat, te weten het terugkeren naar haar voormalige verblijfsplaats, dan ook niet bereiken. Voor zover [appellante] ter zitting heeft gewezen op het bij haar bestaande gevoel van onrecht wordt overwogen dat dit onvoldoende is om desondanks belang bij een uitspraak op het ingestelde hoger beroep aan te nemen. Het college heeft te kennen gegeven dat de kosten van het toepassen van bestuursdwang niet op [appellante] zullen worden verhaald. [appellante] heeft verder geen schade gesteld en heeft ter zitting benadrukt dat het haar daar ook niet om te doen is.     

    Gelet hierop en nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een belang kan worden aangenomen bij een inhoudelijke beoordeling van de gronden van het hoger beroep van [appellante], moet worden geoordeeld dat dit belang is komen te vervallen en het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

3.    Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Kos

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2017

580.