ECLI:NL:RVS:2017:1401 Raad van State , 24-05-2017 / 201506871/3/R1

Uitspraak

201506871/3/R1.

Datum uitspraak: 24 mei 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Barneveld,

en

1.    de raad van de gemeente Barneveld,

2.    het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld,

verweerders.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 15 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1684, (hierna: de tussenuitspraak) heeft de Afdeling de raad opgedragen binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van de raad van 8 juli 2015, kenmerk 15-56, waarbij het bestemmingsplan "Fietsroute Barneveld Zuid" is vastgesteld, te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij brief van 29 september 2016 heeft de raad te kennen gegeven het gebrek in het besluit te hebben hersteld.

[appellant] en anderen hebben, daartoe in de gelegenheid gesteld, hun zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld naar voren gebracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten. Overwegingen

1.    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 5.5 overwogen dat de raad naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende heeft weten te motiveren waarom in dit geval in redelijkheid van de CROW-richtlijn van 4,0 m breedte kon worden afgeweken en kon worden volstaan met een fietspad met een breedte van 3,0 m. De CROW-richtlijnen dienen mede de fietsverkeersveiligheid en het voorkomen van hinder op het fietspad. Niet is gebleken hoe de raad die aspecten heeft meegewogen in zijn motivering om van de CROW-richtlijn van 4,0 m breedte af te wijken. De Afdeling heeft daarbij betrokken dat het fietspad gebruikt zal worden voor woon- en werkverkeer en door aanzienlijke aantallen scholieren en dat het op termijn de bedoeling is om het fietspad onderdeel te laten uitmaken van een snelfietsroute.

2.    Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen is het beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van 8 juli 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Fietsroute Barneveld Zuid" gegrond en dient het plandeel met de bestemming "Verkeer" vanwege strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te worden vernietigd.

3.    Bij besluit van 28 september 2016 heeft de raad besloten in te stemmen met de memo "Fietsroute Barneveld Zuid (nadere motivering)" ter aanvulling op het besluit van 8 juli 2015. De raad wijst er in de nadere motivering op dat in de publicatie "Ontwerpwijzer fietsverkeer 2016" wordt gesteld dat de ontwerpwijzers fietsverkeer uit 2016 en 2006 geen receptenboek betreffen en dat er in het "Inspiratieboek snelle fietsroutes" staat dat de zogenoemde snelle fietsroutes nog in de kinderschoenen staan en het niet mogelijk is hiervoor al een ontwerp-richtlijn vast te stellen. De raad wijst er verder op dat verschillende alternatieven zijn bezien. Voorts is de raad ingegaan op de vraag wat de keuze voor een 3 meter breed fietspad voor fietsers en omwonenden betekent en wordt ingegaan op de zogenoemde "groenbuffer".

4.    [appellant] en anderen kunnen zich niet verenigen met de nadere motivering.

Zij stellen onder verwijzing naar een krantenbericht van 8 april 2016 dat de gemeente (raad en college van burgemeester en wethouders), bij een snelfietsroute een fietspad met een breedte van 4 m noodzakelijk acht.

[appellant] en anderen stellen dat in de nadere motivering het gebruik van het fietspad als snelfietsroute buiten beeld raakt en ten onrechte wordt gereduceerd tot een route voor een fietsverbinding in verband met schoolgaand verkeer. Al betreft het een plaatselijke versmalling, dit zal de doorstroomsnelheid op het fietspad verlagen. Bovendien kunnen er ter plaatse van de woningen aan het Hertespoor openingen komen van waaruit bewoners het fietspad kunnen bereiken. Ook dit heeft volgens [appellant] en anderen een vertragend effect, hetgeen niet wenselijk is voor een snelfietsroute.

Voorts stellen [appellant] en anderen dat zij zelf tellingen hebben verricht en dat de uitkomsten daarvan aanzienlijk afwijken van het aantal fietsers waarvan de raad uitgaat. Voorts stellen zij dat de raad daarbij uitgaat van de huidige en niet van de toekomstige aantallen fietsers. Bovendien stellen zij dat er geen ruimte is om te voorzien in een verantwoorde berm, zodat een fietser die moet uitwijken het talud af zal rijden en in het water zal belanden. Ze vrezen dat inhalen van fietsers in dezelfde richting niet verkeersveilig kan gebeuren en dat gezien het ontbreken van een voetpad ook voetgangers van het fietspad gebruik zullen maken, hetgeen gezien de breedte van het pad de verkeersveiligheid ook niet ten goede komt.

Weliswaar stelt de raad dat het plan voor de bewoners van de wijk een verbetering met zich zal brengen, omdat er minder fietsers door de woonstraten rijden, maar [appellant] en anderen verwachten nog steeds fietsverkeer door de woonstraten via de twee doorsteken tussen de woonerven en het fietspad. Bovendien verwachten ze dat twee grote conflictpunten nog meer onder druk komen te staan als het fietspad wordt aangelegd.

Verder stellen zij dat ter plaatse van de groenstrook achter de woningen aan het Hertespoor is uitgegaan van een onjuiste erfgrens.

[appellant] en anderen stellen dat de nadere motivering van de raad er in feite op neerkomt dat van de CROW-normen kan worden afgeweken, omdat er fysiek geen ruimte is. De verwijzing naar andere gemeenten gaat volgens [appellant] en anderen niet op, omdat onduidelijk is of de omstandigheden daar overeen komen met de omstandigheden ter plaatse.

Verder betwijfelen [appellant] en anderen of de kwaliteit van het openbaar groen tussen de snelfietsroute en het aangrenzende woonerf zal verbeteren. Het verdichten van het groen is in het belang van omwonenden, maar in het licht van de sociale veiligheid voor passanten minder wenselijk.

4.1.    Zoals de Afdeling reeds heeft overwogen in de tussenuitspraak wordt in CROW-publicatie 230 "Ontwerpwijzer fietsverkeer" uit 2006 en het "Inspiratieboek snelle fietsroutes" voor een tweerichtingenfietspad met een spitsintensiteit van meer dan 150 personen/spitsuur een minimale breedte van 4,0 m geadviseerd.

[appellant] en anderen stellen dat zij in de spits 300 fietsers in 30 minuten hebben geteld. De raad gaat uit van ongeveer 300 fietsers op het fietspad in de ochtendspits, gedurende ongeveer 1,5 uur. Daargelaten de juistheid van deze aantallen wordt het getal van 150 fietsers/spitsuur in beide gevallen overschreden, zodat, zoals de Afdeling reeds had geconcludeerd in de tussenuitspraak van 15 juni 2016, dient te worden gemotiveerd dat in redelijkheid van de richtlijn van 4,0 m kan worden afgeweken.

Volgens de raad zijn de vijf hoofdeisen voor een snelfietsroute, te weten samenhang, directheid, veiligheid, aantrekkelijkheid en comfort aanleiding geweest voor het voorliggende ontwerp. De raad wijst erop dat slechts op een beperkt deel van de totale snelfietsroute niet aan de richtlijn van een breedte van 4,0 m wordt voldaan. De raad heeft blijkens de nadere motivering voor de aanvaardbaarheid van deze afwijking van belang geacht dat er in de ochtend sprake is van één dominante spitsrichting met verhoudingsgewijs aanzienlijk minder tegemoetkomende fietsers op de drukke momenten, wat wordt bevestigd door de door [appellant] en anderen overgelegde tellingen. Voor zover [appellant] en anderen stellen dat geen sprake is van een verplicht éénrichtingsverkeer doet dit niet aan het vorenstaande af. De raad heeft tevens onbestreden gesteld dat op een fietspad met een breedte van 3 m twee naast elkaar rijdende fietsers een tegemoetkomende fietser goed kunnen passeren. Voorts wijst de raad erop dat ’s middags sprake is van meer gespreid verkeer over verschillende routes en dat geen sprake is van een daadwerkelijke schoolspits. Uit hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd volgt niet dat het inhalen van fietsers in dezelfde rijrichting, noch in combinatie met het gebruik van het fietspad door voetgangers, dan wel door ouders met jonge kinderen tot een verkeersonveilige situatie leidt.

Dat de raad voor de onderbouwing dat sprake is van een dominante rijrichting verwijst naar de aantallen fietsers in de bestaande situatie maakt niet dat de raad geen oog heeft gehad voor de toekomstige verkeerssituatie.

Niet is gebleken van aanknopingspunten dat in de toekomstige situatie niet langer sprake zal zijn van een dominante rijrichting. Voorts heeft de raad in de zienswijzennota de verwachting uitgesproken dat het aantal fietsers dat in de toekomstige situatie gebruik maakt van het fietspad niet aanzienlijk zal toenemen ten opzichte van de huidige situatie. [appellant] en anderen hebben geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat de raad niet in redelijkheid van deze verwachting heeft kunnen uitgaan.

Voorts wijst de raad erop dat er voorheen zes zogenoemde conflictpunten waren, maar dat daarvan in de voorziene situatie niet langer sprake zal zijn. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat beperking van het aantal kruispunten en daarmee samenhangende parkeermanoeuvres voor fietsers een verbetering met zich brengt. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt onjuist is, noch dat beperking tot de twee doorsteken juist tot uit een oogpunt van verkeersveiligheid onaanvaardbare situaties zal leiden.

Voor zover [appellant] en anderen betogen dat de oversteek Hertespoor-Wilhelminastraat over de Lunterseweg en het startpunt van de fietsverbinding bij het kruispunt in Veller juist verder onder druk komen te staan, overweegt de Afdeling dat niet gebleken is dat ten gevolge van het plan op deze punten een verkeersonveilige situatie zal ontstaan. In dat kader heeft de raad erop gewezen dat de kruising Lunterseweg-Hertespoor in 2014, vooruitlopend op de aanleg van het onderhavige fietspad al verkeersveiliger is gemaakt.       

      Voor zover [appellant] en anderen betogen dat gezien de twee aanwezige doorsteken, fietsers nog steeds door de woonstraten zullen rijden, overweegt de Afdeling dat dit weliswaar niet is uitgesloten, maar dat gezien het in het plan voorziene traject van het fietspad waardoor een directe verbinding tussen de centrumvoorzieningen en de wijk Veller wordt aangebracht, het in de rede ligt dat veel doorgaand fietsverkeer niet langer van de woonstraten gebruik zal maken.

Tevens heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een 3 m breed pad voor aanwonenden met tuinen in combinatie met een goede erfafscheiding minder ingrijpend is dan een breder pad.

Voorts is om de overlast vanwege het fietspad voor aanwonenden van het woonerf (Wildforster) zoveel mogelijk te beperken in overleg tussen de gemeente en omwonenden gekozen voor een zo breed mogelijke "groenbuffer". Deze groenbuffer zal het zicht op het achterliggende bedrijventerrein minimaliseren. Een breder fietspad zal ten koste gaan van deze groenbuffer.

De raad heeft zich gelet op het vorenstaande op het standpunt gesteld dat er is gezocht naar een balans tussen een veilige en comfortabele fietsroute enerzijds en handhaving van de bestaande tuinen met een goede erfafscheiding en verbetering van de kwaliteit van het huidige openbare groen tussen de snelfietsroute en het aangrenzende woonerf anderzijds.

De vrees van [appellant] voor gevaar vanwege eventuele openingen in de erfafscheidingen ter plaatse van de straat Hertespoor heeft de Afdeling niet doen twijfelen aan het standpunt van de raad dat het plan niet tot onaanvaardbare verkeerssituaties zal leiden. Voorts volgt uit de stelling dat voor zover ter plaatse van de groenstrook ter hoogte van de woningen aan het Hertespoor van een onjuiste erfgrens zou zijn uitgegaan, niet dat het plan ter plaatse niet uitvoerbaar zal zijn.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in dit geval gelet op het vorenstaande alsnog toereikend gemotiveerd dat in dit geval kon worden afgeweken van de CROW-richtlijn van 4,0 m breedte en kon worden volstaan met een fietspad met een breedte van 3,0 m. Het in overweging 4 genoemde krantenartikel waar [appellant] en anderen op wijzen doet hier niet af.

Bestaande groenvoorziening

5.    [appellant] en anderen betogen dat de instandhouding van het bestaande groen had moeten worden geborgd door middel van een voorwaardelijke verplichting, zodat het groen niet verder zal verdwijnen.

5.1.    De raad stelt dat de bestaande groenstroken zoveel mogelijk worden gespaard. De suggestie dat er vrijwel geen groen zal overblijven, acht de raad onjuist.

5.2.    Wat betreft het betoog dat in het plan de voorwaardelijke verplichting had moeten worden opgenomen dat het na de aanleg van het fietspad overgebleven groen in stand gehouden zal worden, overweegt de Afdeling dat hiervoor geen aanleiding bestaat nu niet is gebleken dat de bestaande groenvoorziening noodzakelijk is voor de planologische inpasbaarheid van het fietspad.

    Het betoog faalt.

Waterberging

6.    [appellant] en anderen vrezen dat de waterbergingscapaciteit na de uitvoering van het plan onvoldoende zal zijn. In dit verband stellen zij dat zij thans reeds wateroverlast ervaren terwijl de raad de wijze van de afvoer van het water niet inzichtelijk heeft gemaakt.

6.1.    De raad stelt dat de bestaande watergang nabij de straat Hertespoor als duiker onder het fietspad zal worden uitgevoerd en dat de waterberging afdoende zal zijn.

6.2.    In de plantoelichting staat dat de toename aan verharding vanwege het fietspad ongeveer 1.350 m² bedraagt. Voor deze toename aan verharding is blijkens de plantoelichting geen aanvullende waterberging in de vorm van een wadi of oppervlaktewater nodig. De oppervlakte aan oppervlaktewater bedraagt thans 880 m². In de nieuwe situatie zal deze oppervlakte 855 m² bedragen, omdat de watergang aan de straat Hertespoor nabij de Lunterseweg zal worden verbreed. De oppervlakte is weliswaar kleiner, maar de afname wordt volgens de plantoelichting gecompenseerd door het realiseren van de duiker onder de fietsroute als een waterdoorlatende permeobuis. Voor de afwatering van de tuinen van de bewoners aan de straat Hertespoor zal per situatie worden bekeken hoe de afwatering van de percelen kan worden opgelost. Uit de plantoelichting volgt dat in overleg met de bewoners de huidige slootzijde van de tuin kan worden opgehoogd of dat afwatering op de permeobuis kan worden aangelegd. Niet is gebleken dat genoemde maatregelen ter plaatse niet planologisch zijn toegestaan.

    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de berekeningen ten aanzien van de waterbergingscapaciteit niet inzichtelijk zijn dan wel dat de waterberging na de uitvoering van het plan onvoldoende zal zijn. De berekeningen van [appellant] en anderen zoals opgenomen in de zienswijze naar aanleiding van de tussenuitspraak hebben de Afdeling evenmin doen twijfelen aan de juistheid van hetgeen in de plantoelichting is vermeld.

    Het betoog faalt.

Belangenafweging

7.    [appellant] en anderen voeren voorts aan dat de cumulatie van effecten van het plan leiden tot een forse inbreuk op hun woon- en leefomgeving. Ter zitting hebben zij geconcretiseerd dat het hun hier gaat om het verlies aan groen en een toename van geluidhinder als gevolg van het ten noordoosten gelegen [bedrijf], alsmede de aantasting van de privacy en de toename van het risico op inbraken. Omdat tegenover deze belangen slechts een summier gemotiveerd algemeen belang staat, kan de raad niet volhouden dat zij niet onevenredig in hun belangen worden geschaad, aldus [appellant] en anderen.

7.1.    Gezien hetgeen is overwogen in 9.2 van de tussenuitspraak heeft de raad wat de sociale veiligheid betreft geen aanleiding hoeven zien om het plan niet in deze vorm vast te stellen.

Gelet op hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak in 7.2 en 8.2 is een eventuele toename van geluidhinder vanwege het gedeeltelijk verdwijnen van de groenstrook en enige aantasting van de privacy ter plaatse van de woningen en tuinen van [appellant] en anderen, voor zover gelegen aan de straat Hertespoor, niet uitgesloten. Daartegenover staat echter dat de raad, gelet op hetgeen is overwogen in 3.3 van de tussenuitspraak, het nut en de noodzaak van de aanleg van het fietspad voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het algemeen belang bij realisering van het fietspad dan aan het belang van [appellant] en anderen bij het ongewijzigd blijven van de bestaande situatie.

    Het betoog faalt.

Conclusie bestemmingsplan

8.    Gezien het vorenstaande ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Fietsroute Barneveld Zuid" voor zover vernietigd in stand blijven.

De omgevingsvergunning voor het (doen) vellen van bomen

9.    In overweging 12 van de tussenuitspraak van 15 juni 2016 is de Afdeling ingegaan op de beroepsgrond dat niet duidelijk is hoeveel bomen op grond van de omgevingsvergunning voor de kap van bomen mogen worden gekapt. Geconcludeerd is dat de omgevingsvergunning van meet af aan is verleend voor de kap van in totaal 32 bomen. Het betreft gelet op het bestreden besluit drie moeraseiken, twaalf knotwilgen en 17 andere bomen.

Gelet op het in overweging 5.5 van de tussenuitspraak geconstateerde gebrek en de daarmee samenhangende opdracht in de tussenuitspraak die onder meer strekte tot in het geval van een gewijzigde planregeling bezien van de eventuele gevolgen voor de omgevingsvergunning, heeft de Afdeling de overige beroepsgronden tegen de omgevingsvergunning in de tussenuitspraak nog niet besproken. De Afdeling zal daartoe hierna overgaan.

10.    [appellant] en anderen voeren aan dat de omgevingsvergunning niet mocht worden verleend, omdat de in de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV) genoemde weigeringsgronden allemaal in meer of mindere mate van toepassing zijn. In ieder geval zal volgens hen de landschappelijke waarde van de groenvoorziening verminderen en zal de totaalstructuur van de groenvoorziening worden aangetast. In de zienswijzennota is hierop volgens hen onvoldoende ingegaan. Omdat het bestemmingsplan nog niet onherroepelijk is, staan de belangen om tot kap over te gaan nog niet vast. Er is derhalve geen goede motivering die de kap van de bomen rechtvaardigt, aldus [appellant] en anderen.

10.1.    Het college stelt zich op het standpunt dat de groenstrook na de kap van de bomen met gebruikmaking van de verleende omgevingsvergunning op enkele plekken minder ‘vol’ zal zijn. Doordat het fietspad gedeeltelijk is geprojecteerd ter plaatse van het schouwpad langs de watergang, zullen volgens het college zoveel mogelijk bomen behouden blijven en zal de groenstrook als landschappelijk element niet wezenlijk worden aangetast. Voor het te verwijderen groen nabij de woningen Wildforster 114 tot en met 117 is een compensatieplan opgesteld en verder wordt omwonenden aangeboden om de groenstrook in overleg te verdichten.

10.2.    Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) luidt:

"Voorzover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om:

(…)

g. houtopstand te vellen of te doen vellen,

(…)

geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning."

    Artikel 2.18 van de Wabo luidt:

"Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening."

    Artikel 113a, eerste lid, van de APV, luidde ten tijde van belang:

"Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstand te vellen of te doen vellen."

    Artikel 113c luidde ten tijde van belang:

"De vergunning kan, onverminderd het bepaalde in artikel 6 van deze verordening, in elk geval worden geweigerd op grond van:

a. de natuurwaarde van de houtopstand;

b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand."

11.    In de omgevingsvergunning is ten aanzien van de houtopstanden overwogen dat zij een groen lint vormen tussen de woonwijken Hertespoor en Wildforster en het spoor. Uit het besluit volgt dat deze houtopstanden van landschappelijke waarde worden geacht, maar dat de aantasting door de kap van de bomen ten behoeve van het fietspad slechts gering is. Dit heeft enerzijds te maken met de omstandigheid dat een aantal bomen aan de spoorzijde van de groenzone wordt gekapt en de strook daardoor intact blijft. Anderzijds blijft een groot deel van de herkenbare en structuurbepalende moeraseikenopstanden nabij Hertespoor 44 t/m 53 bestaan. Uit de omgevingsvergunning volgt voorts dat het voor het gedeelte bij Wildforster 114 t/m 117 niet mogelijk is de bomen te handhaven. Om het verlies te compenseren, is in bijlage 1 bij de omgevingsvergunning de verplichting opgenomen om binnen één jaar nadat het fietspad is gerealiseerd, herplant te laten plaatsvinden. Het college heeft zich, mede gelet op de herplantverplichting in de voorschriften van de vergunning, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aantasting van waarden van de houtopstand beperkt is. Gelet op het voorgaande heeft het college het belang bij het realiseren van het fietspad, waarvoor een aantal bomen moeten wijken, in redelijkheid zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van het behoud van de houtopstanden en heeft het in zoverre in redelijkheid kunnen besluiten de omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden te verlenen.

    In de Nota zienswijzen is overigens onder 11o, 11p, 11q en 11r ingegaan op de zienswijze over het vellen van de houtopstanden. Nu [appellant] en anderen niet nader hebben onderbouwd op welke zienswijze niet of onvoldoende zou zijn ingegaan, ziet de Afdeling hierin geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit in zoverre onzorgvuldig is voorbereid of genomen.

    Het betoog faalt.

12.    Het beroep gericht tegen de omgevingsvergunning voor het vellen of doen vellen van een aantal bomen is ongegrond.

Proceskosten

13.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Barneveld van 8 juli 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Fietsroute Barneveld Zuid" gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Barneveld van 8 juli 2015, kenmerk 15-56 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Fietsroute Barneveld Zuid" voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Verkeer";

III.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Fietsroute Barneveld Zuid" voor zover vernietigd, in stand blijven;

IV.    verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld van 15 juli 2015, kenmerk 2015W0615, waarbij een omgevingsvergunning voor het vellen of doen vellen van een aantal bomen is verleend, ongegrond;

V.    veroordeelt de raad van de gemeente Barneveld tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1237,50 (zegge: twaalfhonderdzevenendertig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VI.    gelast dat de raad en het college van de gemeente Barneveld, het college van burgemeester en wethouders van Barneveld aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, griffier.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Tuit

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2017

425.