ECLI:NL:RVS:2017:1417 Raad van State , 29-05-2017 / 201605600/1/V1

Uitspraak

201605600/1/V1.

Datum uitspraak: 29 mei 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 juni 2016 in zaak nr. 16/8185 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: een mvv) te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 25 maart 2016 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 juni 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2017, waar de vreemdeling en de referent, bijgestaan door mr. A.A. van Harmelen, advocaat te Den Haag, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. N.A.P. Trommelen en mr. L.M.A. Hansen, zijn verschenen.

Overwegingen

    Inleiding

1.    De vreemdeling heeft op 10 september 2015 een mvv-aanvraag ingediend in het kader van verblijf als familie- of gezinslid op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). De vreemdeling, geboren op [geboortedatum] 1996 en van Mexicaanse nationaliteit, beoogt verblijf bij zijn vader van Nederlandse nationaliteit (hierna: de referent). De mvv-aanvraag van de moeder en het minderjarige zusje van de vreemdeling, beiden eveneens van Mexicaanse nationaliteit, voor verblijf bij de referent heeft de staatssecretaris ingewilligd. De vreemdeling is inmiddels in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'studie'. In deze uitspraak zal de Afdeling ingaan op de vraag of de afwijzing van de mvv-aanvraag van de vreemdeling in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

Beoordeling van het hoger beroep

2.    In de grieven klaagt de vreemdeling dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris ten onrechte heeft beoordeeld of meer dan de normale emotionele banden bestaan tussen de vreemdeling en de referent. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) volgt volgens de vreemdeling dat indien een jongvolwassene nog bij zijn ouders verblijft en geen eigen gezin heeft gesticht, gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM moet worden aangenomen zonder dat moet worden beoordeeld of meer dan de normale emotionele banden bestaan. Verder voert de vreemdeling aan dat, gelet op de door hem aangevoerde feiten en omstandigheden, de rechtbank de staatssecretaris ten onrechte heeft gevolgd in het standpunt dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van de vreemdeling uitvalt.

2.1.    De staatssecretaris heeft zich in de besluiten zonder nadere toelichting op het standpunt gesteld dat tussen de vreemdeling en de referent gezinsleven bestaat.

    Vervolgens heeft de staatssecretaris in het kader van de belangenafweging onderzocht of de band tussen de vreemdeling en de referent zo bijzonder is dat een de normale emotionele banden tussen ouders en meerderjarige kinderen overstijgende, bijzondere afhankelijkheid bestaat. De staatssecretaris heeft geconcludeerd dat het voeren van een restrictief toelatingsbeleid en het economische belang van de Nederlandse staat zwaarder wegen dan de belangen van de vreemdeling, waarbij volgens de staatssecretaris in de belangenafweging veel gewicht in het nadeel van de vreemdeling wordt toegekend aan het feit dat geen meer dan de normale emotionele banden bestaan tussen de vreemdeling en de referent.

2.2.    Het EHRM heeft in het arrest van 20 september 2011, A.A. tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2011:0920JUD000800008, als volgt overwogen:

46. The Court recalls that in Bouchelkia v. France, 29 January 1997, § 41, Reports of Judgments and Decisions 1997-I, when considering whether there was an interference with Article 8 rights in a deportation case, it found that "family life" existed in respect of an applicant who was 20 years old and living with his mother, step-father and siblings. In Boujlifa v. France, 21 October 1997, § 36, Reports 1997-VI, the Court considered that there was "family life" where an applicant aged 28 when deportation proceedings were commenced against him had arrived in France at the age of five and received his schooling there, had lived there continuously with the exception of a period of imprisonment in Switzerland and where his parents and siblings lived in France. In Maslov, cited above, § 62, the Court recalled, in the case of an applicant who had reached the age of majority by the time the exclusion order became final but was living with his parents, that it had accepted in a number of cases that the relationship between young adults who had not founded a family of their own and their parents or other close family members also constituted "family life".

47. However, in two recent cases against the United Kingdom the Court has declined to find "family life" between an adult child and his parents. Thus in Onur v. the United Kingdom, no. 27319/07, §§ 43-45, 17 February 2009, the Court noted that the applicant, aged around 29 years old at the time of his deportation, had not demonstrated the additional element of dependence normally required to establish "family life" between adult parents and adult children. In A.W. Khan v. the United Kingdom, no. 47486/06, § 32, 12 January 2010, the Court reiterated the need for additional elements of dependence in order to establish family life between parents and adult children and found that the 34-year old applicant in that case did not have "family life" with his mother and siblings, notwithstanding the fact that he was living with them and that they suffered a variety of different health problems. It is noteworthy, however, that both applicants had a child or children of their own following relationships of some duration.

48. Most recently, in Bousarra, cited above, §§ 38-39, the Court found "family life" to be established in a case concerning a 24-year old applicant, noting that the applicant was single and had no children and recalling that in the case of young adults who had not yet founded their own families, their ties with their parents and other close family members could constitute "family life".

49. An examination of the Court’s case-law would tend to suggest that the applicant, a young adult of 24 years old, who resides with his mother and has not yet founded a family of his own, can be regarded as having "family life". However, it is not necessary to decide the question given that, as Article 8 also protects the right to establish and develop relationships with other human beings and the outside world and can sometimes embrace aspects of an individual’s social identity, it must be accepted that the totality of social ties between settled migrants and the community in which they are living constitutes part of the concept of "private life" within the meaning of Article 8. […]

2.3.    Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat voor de vaststelling van gezinsleven tussen ouders en meerderjarige kinderen normaal gesproken is vereist dat 'bijkomende elementen van afhankelijkheid' - oftewel meer dan de normale emotionele banden - bestaan (bijvoorbeeld het arrest van 17 februari 2009, Onur tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2009:0217JUD002731907, punt 45, en het arrest van 12 januari 2010, A.W. Khan tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2010:0112JUD004748606, punt 32). Uitzondering daarop vormt de situatie van meerderjarige kinderen die jongvolwassen zijn en nog geen eigen gezin hebben gesticht. Uit de rechtspraak van het EHRM kan worden afgeleid dat in die situatie voor de vaststelling van gezinsleven tussen ouders en meerderjarige kinderen niet is vereist dat meer dan de normale emotionele banden bestaan (bijvoorbeeld het arrest van 23 juni 2008, Maslov tegen Oostenrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:0623JUD000163803, punt 62, en het arrest van 23 september 2010, Bousarra tegen Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2010:0923JUD002567207, punt 38).

    De staatssecretaris heeft in deze zaak eerst vastgesteld dat gezinsleven bestaat tussen de vreemdeling en de referent en vervolgens in het kader van de belangenafweging onderzocht of de band tussen de vreemdeling en de referent zo bijzonder is dat een de normale emotionele banden tussen ouders en meerderjarige kinderen overstijgende, bijzondere afhankelijkheid bestaat. Voor deze beoordelingswijze van de staatssecretaris biedt voormelde rechtspraak van het EHRM geen aanknopingspunten. Daaruit volgt immers dat de vraag of meer dan de normale emotionele banden bestaan, alleen van belang is voor de vaststelling van gezinsleven. De staatssecretaris heeft derhalve in de belangenafweging ten onrechte gewicht toegekend aan het feit dat naar zijn oordeel geen meer dan de normale emotionele banden bestaan. Gelet hierop heeft de staatssecretaris in de besluiten niet deugdelijk gemotiveerd dat de afwijzing van de mvv-aanvraag van de vreemdeling in overeenstemming is met artikel 8 van het EVRM.

    De grieven slagen.

3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 25 maart 2016 alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

In stand laten rechtsgevolgen

4.    De Afdeling ziet aanleiding te bezien of uit een oogpunt van finale geschilbeslechting reden bestaat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Hiertoe overweegt de Afdeling als volgt.

5.    Ter zitting bij de Afdeling heeft de staatssecretaris toegelicht dat volgens het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000, nr. 2016/11, (hierna: het WBV 2016/11) gezinsleven tussen ouders en meerderjarige kinderen wordt aangenomen indien meer dan de normale emotionele banden bestaan. Uitzondering daarop vormt de situatie van jongvolwassenen die altijd feitelijk hebben behoord tot het gezin van de ouders en nog steeds behoren tot dat gezin. In dat geval wordt volgens het WBV 2016/11 gezinsleven aangenomen zonder dat meer dan de normale emotionele banden moeten bestaan. Met deze wijziging wordt volgens de staatssecretaris beoogd beter aan te sluiten bij de rechtspraak van het EHRM en de Afdeling over gezinsleven tussen ouders en meerderjarige kinderen.

    Met betrekking tot deze zaak heeft de staatssecretaris zich ter zitting op het standpunt gesteld dat, nu de vreemdeling jongvolwassen is, geen eigen gezin heeft gesticht en heeft behoord tot het gezin van zijn moeder totdat zij in het kader van gezinshereniging met de referent naar Nederland kwam, gezinsleven bestaat tussen de vreemdeling en zijn moeder. Volgens de staatssecretaris is inmenging in het gezinsleven gerechtvaardigd, omdat het belang van het voeren van een restrictief toelatingsbeleid en het economische belang van de Nederlandse staat zwaarder wegen dan het belang van de vreemdeling en zijn gezinsleden om het gezinsleven in Nederland te kunnen uitoefenen. Volgens de staatssecretaris komt veel gewicht toe aan de omstandigheid dat alle gezinsleden sterke banden met Mexico hebben en, met uitzondering van de referent, de Mexicaanse nationaliteit hebben. Mexico is daarom het meest voor de hand liggende land om het gezinsleven uit te oefenen, waarbij volgens de staatssecretaris van belang is dat artikel 8 van het EVRM geen recht geeft op vrije domiciliekeuze. Hoewel het voor de referent door zijn bedrijf in Nederland niet gemakkelijk zal zijn om zich in Mexico te vestigen, heeft de vreemdeling niet aannemelijk gemaakt dat onoverkomelijke of bijzondere obstakels bestaan voor de referent om zich daar bij zijn gezinsleden te voegen. In de veiligheidssituatie in Mexico bestaat geen objectieve belemmering om het gezinsleven in dat land uit te oefenen en de vreemdeling heeft de gestelde persoonlijke bedreigingen niet gestaafd, aldus de staatssecretaris. Daarnaast kan de referent volgens de staatssecretaris het gezinsleven met de andere gezinsleden op dezelfde wijze voortzetten als de afgelopen twaalf jaar, te weten met moderne communicatiemiddelen en bezoeken over en weer.

5.1.    Met deze motivering heeft de staatssecretaris alsnog deugdelijk gemotiveerd dat de afwijzing van de mvv-aanvraag niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Daarvoor is vooral van belang dat het EHRM heeft overwogen (onder meer in het arrest van 31 januari 2006, Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2006:0131JUD005043599, punt 39) dat artikel 8 van het EVRM geen algemene verplichting inhoudt voor een staat om de keuze voor het land van verblijf van immigranten te respecteren en om gezinshereniging op zijn territorium toe te staan. De staatssecretaris heeft niet ten onrechte veel gewicht toegekend aan de omstandigheid dat de vreemdeling en zijn moeder en zusje de Mexicaanse nationaliteit hebben en sterke banden met Mexico hebben. Daarnaast heeft de staatssecretaris niet ten onrechte gewicht gehecht aan het feit dat de vreemdeling en zijn moeder en zusje in de twaalf jaar voor de mvv-aanvraag gezinsleven met de referent hebben uitgeoefend met moderne communicatiemiddelen en bezoeken over en weer. Nu geen onoverkomelijke of bijzondere obstakels bestaan voor de vreemdeling, zijn moeder en zusje en de referent om zich in Mexico te vestigen, heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de belangen van de Nederlandse staat zwaarder wegen.

6.    Gelet op het voorgaande bepaalt de Afdeling met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb dat de rechtsgevolgen van het besluit van 25 maart 2016 in stand blijven.

7.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 juni 2016 in zaak nr. 16/8185;

III.    verklaart het door de vreemdeling in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 25 maart 2016, V-nr. […];

V.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

VI.    veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.980,00 (zegge: negentienhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 419,00 (zegge: vierhonderdnegentien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.E. Russcher, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Russcher

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2017

760.