ECLI:NL:RVS:2017:1454 Raad van State , 30-05-2017 / 201603474/1/V3

Uitspraak

201603474/1/V3.

Datum uitspraak: 30 mei 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 4 mei 2016 in zaak nr. 16/7210 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 4 mei 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Schonkeren, advocaat te Tilburg, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij nader onderzoek had moeten verrichten naar de gestelde minderjarigheid van de vreemdeling. Hiertoe stelt hij zich primair op het standpunt dat aan artikel 8, vierde lid van Verordening (EU) nr. 604/2013 (PB 2013 L 180; hierna: de Dublinverordening) geen betekenis toekomt in de onderhavige procedure. Subsidiair stelt de staatssecretaris zich op het standpunt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de vreemdeling geen documenten heeft overgelegd en er geen gegronde redenen bestaan voor twijfel aan de van de Zwitserse autoriteiten op 17 november 2015 ontvangen informatie. Hieruit blijkt dat de daar geregistreerde geboortedatum is gebaseerd op de eigen verklaringen van de vreemdeling. Bovendien heeft de vreemdeling vaag en ontwijkend verklaard over zijn personalia. Dat hij eerst is behandeld als minderjarige doet hier volgens de staatssecretaris niet aan af, nu de twijfel over zijn leeftijd pas is ontstaan na nader onderzoek bij de Zwitserse autoriteiten.

1.1.    Het betoog dat aan artikel 8, vierde lid, van de Dublinverordening in de onderhavige procedure geen betekenis toekomt heeft de staatssecretaris niet als zodanig in eerste aanleg naar voren gebracht. Dat dat voor het eerst in hoger beroep gebeurt, verdraagt zich niet met het bepaalde in artikel 85 van de Vreemdelingenwet 2000.

1.2.    Vast staat dat de vreemdeling in Zwitserland als meerderjarig geregistreerd staat en hij geen identiteitsdocumenten heeft overgelegd ter staving van zijn thans gestelde minderjarigheid. De staatssecretaris heeft zich in het bestreden besluit, waarin het voornemen is herhaald en ingelast, terecht op het standpunt gesteld dat uit de informatie van de Zwitserse autoriteiten van 17 november 2015, blijkt dat de in dat land geregistreerde geboortedatum van de vreemdeling is gebaseerd op diens eigen verklaringen bij indiening van de asielaanvraag in Zwitserland. Dat de Zwitserse autoriteiten niet uitvoeriger hebben geantwoord biedt, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen grond voor het oordeel dat de leeftijd van de vreemdeling in Zwitserland is geschat. De staatssecretaris stelt zich bovendien terecht op het standpunt dat de vreemdeling geen redenen voor twijfel aan de door de Zwitserse autoriteiten verstrekte informatie heeft aangedragen. Zo heeft deze uitsluitend verklaard dat hij bij aanmelding in Zwitserland niet wist hoe oud hij was en dat hij denkt dat men zijn leeftijd heeft geschat. De staatssecretaris heeft gelet hierop terecht geen nader onderzoek verricht naar de in Zwitserland geregistreerde geboortedatum of de vreemdeling een leeftijdsonderzoek aangeboden (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 september 2016; ECLI:NL:RVS:2016:2591).

    De grief slaagt.

2.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het besluit van 7 april 2016 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden.

3.    De vreemdeling klaagt dat de staatssecretaris zijn asielaanvraag ten onrechte niet in behandeling heeft genomen, omdat het op 1 november 2015 gehouden nader gehoor een handeling betreft in de zin van artikel 2, aanhef en onder d, van de Dublinverordening, waardoor dit gehoor niet kan worden aangemerkt als een middel om de verantwoordelijke lidstaat vast te stellen. Door een nader gehoor te houden heeft de staatssecretaris zijn asielaanvraag dan ook feitelijk in behandeling genomen, aldus de vreemdeling.

3.1.    Daargelaten of het met de vreemdeling gehouden nader gehoor kan worden aangemerkt als een maatregel in verband met de behandeling van of beslissing over een asielverzoek in de zin van artikel 2, aanhef en onder d, van de Dublinverordening, moet, gelet op de in de onderhavige zaak door de staatssecretaris verrichte overige handelingen, worden aangenomen dat de procedure waarbij wordt bepaald welke lidstaat krachtens de bepalingen van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor het asielverzoek ten tijde van dat gehoor niet was afgerond. Daartoe is van belang dat de Zwitserse autoriteiten eerst na het nader gehoor hebben gereageerd op het verzoek van de staatssecretaris om nadere informatie (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 september 2014; ECLI:NL:RVS:2014:3385).

    De beroepsgrond faalt.

4.    De vreemdeling klaagt dat de staatssecretaris hem op onjuiste wijze heeft geclaimd bij Italië. Hiertoe voert hij aan dat de Zwitserse autoriteiten hem ten onrechte krachtens artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening bij Italië hebben geclaimd, zodat een claim van de staatssecretaris krachtens artikel 18, eerste lid, van de Dublinverordening niet mogelijk is.

4.1.    De vreemdeling heeft tijdens het gehoor aanmeldfase van 17 september 2015 alsook tijdens het nader gehoor van 1 november 2015 verklaard het grondgebied van de lidstaten via Italië te zijn ingereisd. Niet is gebleken dat hij in Italië een asielaanvraag heeft ingediend. Gelet hierop en omdat de vreemdeling zijn stelling dat het claimakkoord tussen Zwitserland en Italië ten onrechte op artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening is gebaseerd niet heeft gestaafd, heeft de staatssecretaris hem terecht krachtens artikel 18, eerste lid, van die verordening bij Italië geclaimd.

    De beroepsgrond faalt.

5.    De vreemdeling klaagt dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat in Italië geen van dusdanige tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen bestaan dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De vreemdeling wijst daartoe op het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM), Tarakhel tegen Zwitserland, van 4 november 2014 (ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712), de rapportage van Vluchtelingenwerk van oktober 2015 en de uitspraak van de administratieve rechtbank te Nantes van 28 december 2015. Ook wijst de vreemdeling op de afspraken over de herverdeling van asielzoekers uit Italië in verband met de door een hoge instroom van asielzoekers ontstane noodsituatie.

5.1.    Voornoemde stukken schetsen, voor zover deze niet reeds in de uitspraak van de Afdeling van 27 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2791, zijn beoordeeld, geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië ten opzichte van de in die uitspraak beoordeelde documenten, zodat de staatssecretaris zich ook in deze zaak terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij inzake Italië uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het besluit tot de herverdeling van asielzoekers waar de vreemdeling op wijst staat daarnaast los van de toepassing van de Dublinverordening.

    De beroepsgrond faalt.

6.    Het beroep is ongegrond.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 4 mei 2016 in zaak nr. 16/7210;

III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.T. Annen, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Annen

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2017

765.