ECLI:NL:RVS:2017:1464 Raad van State , 02-06-2017 / 201703765/2/A1

Uitspraak

201703765/2/A1.

Datum uitspraak: 2 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoekster], gevestigd te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 19 april 2017 in zaken nrs. 17/777 en 17/778 in het geding tussen:

[verzoekster]

en

het college van burgemeester en wethouders van Nuenen, Gerwen en Nederwetten.

Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2016 heeft het college aan [verzoekster] een omgevingsvergunning verleend voor het tijdelijk afwijken van de parkeerregeling van het bestemmingsplan "Nuenen Centrum 2012" met betrekking tot het perceel [locatie] te Nuenen.

Bij besluit van 14 februari 2017 heeft het college het door [bezwaarmakers] (hierna tezamen en in enkelvoud: [bezwaarmaker]) daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, dat besluit herroepen en de omgevingsvergunning alsnog geweigerd.

Bij uitspraak van 19 april 2017 heeft de rechtbank het door [verzoekster] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[bezwaarmaker] heeft nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 mei 2017, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. M.E.W.M. Pals-Reiniers, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.M. van de Boom en mr. Y.G.P. Vos, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [bezwaarmaker], bijgestaan door mr. E.T. Stevens, rechtsbijstandverlener, gehoord.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    Het verzoek om voorlopige voorziening strekt ertoe dat [verzoekster] haar activiteiten op het perceel kan voortzetten en een voorlopig oordeel over het geschil verkrijgt.

3.    Het college heeft zich bij het besluit op bezwaar van 14 februari 2017 op het standpunt gesteld dat de aanvraag van [verzoekster] in strijd is met het voorbereidingsbesluit van 3 maart 2016 dat de vestiging van uitvaarthuizen alsmede wijziging van het gebruik van gronden en bouwwerken voor de vestiging van uitvaarthuizen verbiedt. Bij dat besluit heeft het college zich voorts op het standpunt gesteld dat het niet bereid is af te wijken van de parkeerregeling van het bestemmingsplan "Nuenen Centrum 2012". De rechtbank heeft geconcludeerd dat het college de gevraagde omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren.

4.    [verzoekster] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de aanvraag in strijd is met het voorbereidingsbesluit en dat de rechtbank ten onrechte de weigering van de omgevingsvergunning in stand heeft gelaten. Volgens [verzoekster] is het gebruik van het perceel voor het opbaren en verzorgen van overledenen en het bieden van niet-openbare rouwbezoeken rechtstreeks toegestaan op basis van het bestemmingsplan "Nuenen Centrum 2012" en is slechts een omgevingsvergunning voor het afwijken van de parkeerregeling in het bestemmingsplan nodig voor het bieden van de mogelijkheid tot openbare rouwbezoeken.

5.    Het college en [bezwaarmaker] hebben ter zitting van de voorzieningenrechter betoogd dat, hoewel zij de uitspraak van de rechtbank onderschrijven, de rechtbank niet heeft onderkend dat de aanvraag van [verzoekster] niet alleen in strijd is met de parkeerregeling, maar dat ook het gebruik als uitvaarthuis in strijd is met het bestemmingsplan. Voorts kunnen zij zich niet vinden in de redenering van de rechtbank met betrekking tot het voorbereidingsbesluit.

6.    De vraag of een uitvaarthuis op grond van het bestemmingsplan is toegestaan en zo ja voor welk deel van de activiteit al dan niet een omgevingsvergunning voor het afwijken van de parkeerregeling in het bestemmingsplan nodig is en of die geweigerd kan worden leent zich niet voor beantwoording in deze procedure. De voorzieningenrechter ziet, het aan de orde zijnde toetsingskader in aanmerking genomen, in hetgeen [verzoekster] naar voren heeft gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de omgevingsvergunning niet mocht worden geweigerd.

7.    Gelet hierop en bovendien nu het college ten aanzien van de activiteit op het perceel geen besluit tot handhaving heeft genomen bestaat er onvoldoende aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Smulders-Wijgerde, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Smulders-Wijgerde

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2017

672.

Verder lezen