ECLI:NL:RVS:2017:1499 Raad van State , 07-06-2017 / 201603440/1/V6

Uitspraak

201603440/1/V6.

Datum uitspraak: 7 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 april 2016 in zaak nr. 16/13 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2015 heeft de raad van bestuur een aanvraag van [appellant] om voorzieningen krachtens de Remigratiewet (hierna: de aanvraag) afgewezen.

Bij besluit van 23 december 2015 heeft de raad van bestuur het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 april 2016 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 maart 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.H. Klijnstra, advocaat te Amsterdam, en de raad van bestuur, vertegenwoordigd door mr. A. van der Weerd, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    De raad van bestuur heeft de aanvraag afgewezen omdat [appellant] niet aan de voorwaarden voor een remigratievoorziening voldoet. [appellant] heeft in zijn aanvraag aangegeven te willen remigreren naar Suriname. Volgens de raad van bestuur is remigreren terugkeren naar het land van herkomst en het land van herkomst is het land waar iemand is geboren en waarvan iemand de nationaliteit heeft gehad. [appellant] heeft weliswaar aangetoond dat hij de Surinaamse nationaliteit heeft gehad, maar hij is in Frans-Guyana en derhalve niet in Suriname geboren, zodat Suriname volgens de raad van bestuur niet zijn land van herkomst is.

2.    [appellant] heeft eerder, op 8 december 2014 een aanvraag ingediend om voorzieningen krachtens de Remigratiewet (hierna: de Rw). Bij besluit van 20 maart 2015 heeft de raad van bestuur die aanvraag afgewezen, omdat [appellant] niet heeft kunnen aantonen dat hij de Surinaamse of Nederlandse nationaliteit heeft gehad en hij in Suriname is geboren. [appellant] heeft daartegen geen rechtsmiddelen aangewend. Het besluit van 20 maart 2015 is daarmee in rechte onaantastbaar geworden.

3.    De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak ambtshalve geconstateerd dat de aanvraag een herhaalde aanvraag is, als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De rechtbank heeft daarom - met toepassing van het zogeheten ne bis-beoordelingskader - beoordeeld of [appellant] aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] dit niet heeft gedaan, zodat een hernieuwde rechterlijke beoordeling niet gerechtvaardigd is. De rechtbank is daarom niet aan een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 23 december 2015 toegekomen.

In het hoger beroep van [appellant]

4.    [appellant] betoogt, voor zover thans van belang, dat de rechtbank ten onrechte het ne bis-beoordelingskader heeft toegepast.

4.1.    Uit de uitspraak van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3131, volgt dat de Afdeling haar rechtspraak over herhaalde aanvragen, zoals in deze zaak aan de orde, met onmiddellijke ingang heeft aangepast. Deze aanpassing houdt onder meer in dat in zaken waarin het bestuursorgaan de herhaalde aanvraag op inhoudelijke gronden heeft afgewezen, de bestuursrechter het besluit op die aanvraag toetst aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware dit het eerste besluit over die aanvraag. Anders dan voorheen beoordeelt de bestuursrechter dus niet meer ambtshalve of wat een rechtzoekende aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Hoewel de rechtbank het ten tijde van de aangevallen uitspraak geldende ne bis-beoordelingskader juist heeft toegepast, volgt uit hetgeen hiervoor in aanmerking is genomen en uit de omstandigheid dat de minister de aanvraag op inhoudelijke gronden heeft afgewezen, dat het besluit van 23 december 2015 had moeten worden getoetst in het licht van de daartegen door [appellant] aangevoerde beroepsgronden. Dit leidt evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. De Afdeling overweegt hiertoe het volgende.

5.    [appellant] stelt dat hij aan de voorwaarden voor een remigratievoorziening voldoet. Hoewel hij niet in Suriname is geboren, heeft hij daar vanaf zijn geboorte gewoond. Zijn moeder woonde in Benzdorp, district Marowijne, dat aan de grens met Frans-Guyana ligt. De keuze voor zijn moeder om in Frans-Guyana te bevallen is daarin gelegen dat het ziekenhuis in dat land dichterbij was dan het ziekenhuis in Paramaribo. Zijn moeder is direct na zijn geboorte met hem naar Benzdorp teruggekeerd, aldus [appellant].

5.1.    Artikel 1 van de Rw luidt:

'1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. […];

e. land van herkomst: land waar de remigrant geboren is en waarvan de remigrant de nationaliteit bezit of heeft bezeten;

f. […].'

Artikel 1a luidt:

'Doelgroep van deze wet zijn:

a. […];

c. personen met de Nederlandse of Surinaamse nationaliteit die in Suriname geboren zijn, en zich voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel in Nederland hebben gevestigd;

d. […].'

5.2.    De raad van bestuur heeft zich in het besluit van 23 december 2015 op het standpunt gesteld dat [appellant] niet onder het bereik van artikel 1, aanhef en onder e, van de Rw valt, omdat hij in Frans-Guyana is geboren en naar Suriname wenst te remigreren. Voorts valt [appellant] niet onder het bereik van artikel 1a, aanhef en onder c, van de Rw, omdat hij niet in Suriname is geboren. [appellant] is in de gelegenheid gesteld om stukken over te leggen, waaruit zou blijken dat hij in Suriname heeft gewoond. Hij heeft echter slechts een stuk overgelegd waaruit blijkt dat zijn moeder vanaf haar geboorte stond ingeschreven in Benzdorp, district Marowijne, waarna zij op 21 februari 1978 is verhuisd naar een ander adres. Voort volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1738 dat de hantering van het geboorteplaatsvereiste noodzakelijk is geweest om het bereik van de Regeling aanwijzing doelgroepen Remigratiewet te beperken. Volgens de Rw zou [appellant] onder het bereik van de doelgroep vallen, indien hij aan het geboorteplaatsvereiste zou voldoen. [appellant] heeft getracht aan te tonen dat hij vanaf zijn geboorte in Suriname woonachtig is geweest. De Rw stelt echter als voorwaarde dat [appellant] in Suriname geboren is en niet dat hij vanaf zijn geboorte daar woonachtig is geweest. In de Rw zijn evenmin criteria opgenomen waaruit blijkt dat een bepaalde periode van verblijf in Suriname gelijk is te stellen aan het daar geboren zijn. Daarbij is in onvoldoende mate komen vast te staan dat [appellant] in Suriname heeft gewoond na zijn geboorte, aangezien hij slechts een stuk heeft overgelegd waaruit blijkt waar zijn moeder vanaf haar geboorte heeft gewoond, aldus de raad van bestuur.

5.3.    Ter zitting bij de Afdeling heeft de raad van bestuur desgevraagd verklaard dat niet valt uit te sluiten dat indien [appellant] had aangetoond dat hij meteen na zijn geboorte door zijn moeder naar Suriname was meegenomen en hij vanaf dat moment bij haar in Suriname heeft gewoond, hij in aanmerking zou zijn gekomen voor de gevraagde voorziening.

    De raad van bestuur heeft zich evenwel terecht op het standpunt gesteld dat [appellant] dit met de door hem overgelegde stukken niet heeft gedaan. Van belang is dat [appellant] bij zijn aanvraag een schriftelijke verklaring heeft gevoegd, waarin staat dat de reden dat hij in Frans-Guyana is geboren, is dat zijn ouders daar een aantal jaren hebben gewoond in verband met het werk van zijn vader. De verklaring van [appellant] tijdens de hoorzitting in bezwaar, dat zijn vriendin die aanvulling heeft geschreven en dat zij dat verkeerd heeft begrepen, heeft de raad van bestuur niet ten onrechte onvoldoende overtuigend geacht om hem zijn aanvankelijke verklaring niet tegen te werpen. In dat verband is van betekenis dat [appellant] stelt dat hij op vierjarige leeftijd, dus in 1963, naar Paramaribo is verhuisd, terwijl uit de door hem overgelegde verklaring van Bureau voor Burgerzaken, kantoor Paramaribo-Combe, staat dat zijn moeder in 1978 naar Paramaribo is verhuisd en zij in 1982 naar een ander adres in Paramaribo is verhuisd. Gelet op de verschillen tussen de verklaring van [appellant] en het door hem overgelegde stuk, bezien in samenhang met zijn aanvankelijke verklaring, weergegeven onder 5, heeft de raad van bestuur zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij vanaf zijn geboorte, althans vanaf vrijwel direct daarna, in Suriname heeft gewoond. De raad van bestuur heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij aan de voorwaarden voor de gevraagde voorziening voldoet. Dat betekent dat de raad van bestuur de aanvraag terecht heeft afgewezen.

6.    Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht, zij het op andere gronden, geoordeeld dat de raad van bestuur de aanvraag terecht heeft afgewezen. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 5.3 is overwogen, worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

7.    De ongegrondverklaring van het hoger beroep betekent voorts dat aan het ter zitting bij de Afdeling door [appellant] gedane verzoek om de zaak bij gegrondverklaring van het hoger beroep naar de rechtbank terug te wijzen, niet wordt toegekomen.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Woestenburg-Bertels, griffier.

w.g. Parkins-de Vin    w.g. Woestenburg-Bertels

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2017

501.