ECLI:NL:RVS:2017:1503 Raad van State , 07-06-2017 / 201608301/1/A2

Uitspraak

201608301/1/A2.

Datum uitspraak: 7 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 september 2016 in zaak nr. 15/3598 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag over 2009 voor [appellante] herzien en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 22 april 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 september 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 mei 2017, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. E.J.E. Groothuis, is verschenen.

Overwegingen

1.    [appellante] heeft in 2009 voor haar dochter gebruik gemaakt van gastouderopvang door tussenkomst van [gastouderbureau]. Van 1 januari tot 1 oktober 2009 is haar dochter opgevangen door [gastouder A] en van 1 oktober tot 31 december 2009 door [gastouder B]. [appellante] heeft daarvoor kinderopvangtoeslag aangevraagd als bedoeld in de Wet op de kinderopvangtoeslag (vanaf 1 augustus 2010: de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen).

    Bij besluit van 10 december 2008 heeft de Belastingdienst/Toeslagen [appellante] een voorschot kinderopvangtoeslag ten bedrage van € 9.861,00 toegekend.

2.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft dat voorschot bij het besluit van 17 juli 2012 herzien en vastgesteld op nihil. Bij besluit van 7 augustus 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag over 2009 voor [appellante] definitief vastgesteld op nihil. Bij besluit 27 maart 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] tegen het besluit van 17 juli 2012 gemaakte bezwaar aangemerkt als gericht tegen het besluit van 7 augustus 2012 en dat bezwaar gegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 24 december 2013 het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4250) heeft de Afdeling het door [appellante] ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank van 24 december 2013 vernietigd, het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 27 maart 2013 vernietigd. De Belastingdienst/Toeslagen diende vervolgens alsnog op het door [appellante] tegen het besluit van 17 juli 2012 gemaakte bezwaar te beslissen. Bij besluit van 22 april 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het besluit van 17 juli 2012 gehandhaafd. Hieraan heeft de dienst ten grondslag gelegd dat [appellante] niet heeft aangetoond wat de totale kosten van gastouderopvang in het berekeningsjaar 2009 zijn geweest en dat zij deze kosten volledig heeft betaald.

3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen [appellante] ten onrechte in het kader van haar bezwaar niet alsnog heeft gehoord alvorens op het bezwaar te beslissen. De rechtbank heeft dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) gepasseerd nu [appellante] in beroep alles naar voren heeft kunnen brengen wat zij naar voren had willen brengen. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat [appellante] wist wat er van haar werd verwacht, omdat de dienst haar gedurende de gehele procedure meermalen om de benodigde informatie heeft gevraagd. Voorts is de rechtbank de Belastingdienst/Toeslagen gevolgd in zijn standpunt dat [appellante] niet heeft aangetoond wat de hoogte van de totale kosten aan kinderopvang in 2009 is geweest en dat die kosten daadwerkelijk aan de gastouders zijn betaald. Voor zover [appellante] heeft gesteld een deel van de kosten van gastouderopvang in 2009 te hebben aangetoond en betaald, heeft de rechtbank overwogen dat dit niet betekent dat daarmee aanspraak ontstaat op een naar evenredigheid lagere toeslag.

4.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet de totale kosten van kinderopvang zijn betaald. In dit verband wijst zij erop dat de oorspronkelijke aanvraag kinderopvangtoeslag is vervangen door een gecorrigeerde aanvraag en alle in die aanvraag vermelde kosten daadwerkelijk zijn betaald. Voorts heeft de rechtbank in de uitspraak van 24 december 2013 volgens [appellante] reeds geoordeeld dat ten aanzien van [gastouder B] voldoende vaststond dat betalingen zijn gedaan. [appellante] kan het oordeel van de rechtbank dat uit de overgelegde betalingsbewijzen ten aanzien van [gastouder A] niet duidelijk is of deze betalingen verband houden met de geboden gastouderopvang, niet volgen nu daaruit ten minste een begin van een vermoeden bestaat waarop de bedragen betrekking hebben.

4.1.    De rechtbank heeft onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de rechtspraak van de Afdeling, terecht overwogen dat degene die aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag moet aantonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt en wat de hoogte is van deze kosten. De Belastingdienst/Toeslagen kan, indien niet alle kosten volledig zijn betaald, bij de herziening van het voorschot en de terugvordering geen rekening houden met de kosten van kinderopvang die de betrokken vraagouder aantoonbaar heeft betaald en deze kan geen aanspraak maken op een evenredig deel van de kinderopvangtoeslag over het desbetreffende toeslagjaar (zie de uitspraak van 14 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3301).

4.2.    Met betrekking tot het toeslagjaar 2009 heeft [appellante] door haar opgestelde en ondertekende jaaropgaven onderscheidenlijk over de periode januari tot en met september 2009 en over de periode oktober tot en met december 2009 overgelegd. Volgens deze jaaropgaven bedroegen de kosten van kinderopvang door [gastouder A] een bedrag van € 6.930,00 en de kosten van kinderopvang door [gastouder B] een bedrag van € 2.310,00. Deze bedragen heeft [appellante] ook ingevuld op het antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2009.

    Ter staving van haar stelling dat zij [gastouder A] in 2009 heeft betaald, heeft [appellante] bankafschriften overgelegd. Daaruit blijkt een totaalbedrag van € 5.300,00 aan overschrijvingen aan [gastouder A]. Niet alleen komt dit bedrag niet overeen met het bedrag aan kosten dat [appellante] volgens haar opgave aan [gastouder A] verschuldigd was, maar bij gebrek aan een omschrijving valt uit deze overschrijvingen niet af te leiden of deze verband hielden met de geboden gastouderopvang. Evenmin komen de bedragen overeen met de door haar ondertekende urenregistratieformulieren van de gastouderopvang door [gastouder A]. Ten aanzien van deze urenregistratieformulieren, die overigens niet door [gastouder A] zijn ondertekend, neemt de Afdeling in aanmerking dat daaruit volgt dat gastouderopvang door [gastouder A] zou hebben plaatsgevonden in de periode van januari tot en met september 2009, terwijl uit door [appellante] overgelegde emailcorrespondentie is af te leiden dat die gastouderopvang tot uiterlijk juni 2009 heeft plaatsgevonden. Onder deze omstandigheden heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich met juistheid op het standpunt gesteld dat [appellante] voor de maanden januari tot en met september 2009 niet heeft aangetoond daadwerkelijk kosten te hebben gemaakt.

    Anders dan [appellante] stelt, is met uitspraak van de rechtbank van 24 december 2013, vernietigd door de Afdeling bij uitspraak van 26 november 2014, niet in rechte vast komen te staan dat [appellante] heeft aangetoond de kosten van gastouderopvang door [gastouder B] ten bedrage van € 2.310,00 over de maanden oktober tot en met december 2009 daadwerkelijk te hebben gemaakt. De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich in het bij de rechtbank bestreden besluit van 22 april 2015 op het standpunt gesteld dat [appellante] geen betalingsbewijzen heeft overgelegd waaruit blijkt dat deze kosten zijn voldaan. [appellante] heeft deze betalingsbewijzen niet alsnog overgelegd, terwijl zij daartoe de gelegenheid heeft gehad. Gelet hierop komt de Afdeling evenals de rechtbank tot het oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] voor de maanden oktober tot en met december 2009 niet heeft aangetoond daadwerkelijk kosten te hebben gemaakt.

    Het betoog faalt.

5.    [appellante] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat in dit geval niet kon worden afgezien van het horen in bezwaar nadat de Afdeling de zaak heeft teruggewezen, te minder nu de Belastingdienst/Toeslagen gegevens die eerder als vaststaand werden aangemerkt, opnieuw ter discussie heeft gesteld.

5.1.    [appellante] heeft in beroep alsnog voldoende gelegenheid gehad haar standpunt toe te lichten. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellante] door het afzien van het alsnog horen in bezwaar niet in haar belang is geschaad en dat het besluit van 22 april 2015 daarom met toepassing van artikel 6:22 van de Awb in stand kan worden gelaten.

6.    [appellante] kan niet worden gevolgd in haar standpunt dat zij ernstig in haar bewijspositie is geschaad omdat de Belastingdienst/Toeslagen bij de rechtbank aanvullende informatie in het geding heeft gebracht, waarvan zij geen kennis heeft kunnen nemen. [appellante] heeft de rechtbank geen toestemming verleend om op grondslag van bedoelde stukken, waarvan de rechtbank in een andere samenstelling de door de Belastingdienst/Toeslagen verzochte beperkte kennisneming gerechtvaardigd heeft geacht als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb, uitspraak te doen, zodat de rechtbank niet mede op grondslag van deze stukken uitspraak heeft gedaan.

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, griffier.

w.g. Bijloos    w.g. Van Soest-Ahlers

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2017

343.