ECLI:NL:RVS:2017:1561 Raad van State , 14-06-2017 / 201608787/1/R3

Uitspraak

201608787/1/R3.

Datum uitspraak: 14 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Rockanje, gemeente Westvoorne,

en

de raad van de gemeente Westvoorne,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 september 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Sanering glastuinbouw Blindeweg / Langeweg Rockanje" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 mei 2017, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door drs. H.J. Solle, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende] ter zitting gehoord.

    Overwegingen

1.    Door het bestreden besluit wordt de bestemming van de agrarische percelen behorend bij de bedrijfslocaties [locatie 1] Rockanje en [locatie 2] Rockanje in zoverre gewijzigd dat, anders dan voorheen, geen glastuinbouw meer is toegelaten. De bestaande kassen zullen worden gesaneerd. Ter compensatie van de kosten voor de eigenaren van de gronden zijn verspreid over de percelen drie bouwvlakken met de bestemming "Wonen" opgenomen. Toegelicht is dat het de bedoeling is dat daar villa’s gebouwd kunnen worden.

2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

3.    [appellant] heeft bezwaar tegen de mogelijkheid villa’s te realiseren. Volgens hem staat één van de villa’s binnen de geurcontouren van zijn intensieve varkenshouderij. Hij stelt dat hij daardoor beperkingen in zijn bedrijfsvoering zal ondervinden. Daarbij verwacht hij dat villa’s voor hem beperkend zullen zijn omdat de kopers hogere eisen aan hun leefomgeving zullen stellen. Dat klemt te meer omdat, naar hij stelt, de omgeving van zijn varkenshouderij ten onrechte is gekwalificeerd als "categorie III" terwijl dat "categorie IV" zou moeten zijn. Dat volgt volgens hem uit een uitspraak van de Afdeling van 6 april 1998, E03.97.1784/P90 en F03.97.1018. Door die kwalificatie is hem ten onrechte niet toegestaan om het aantal varkens op zijn bedrijf uit te breiden tot 2437 dieren. Tegen deze beperking is hij aan het procederen, aldus [appellant].

    [appellant] kan zich voorts niet verenigen met het vervallen van de glastuinbouwbestemming. Volgens hem is het zonder glas niet mogelijk een duurzame agrarische bedrijfsvoering op de percelen in stand te houden. Dat zal er volgens hem toe leiden dat uiteindelijk het hele gebied woongebied wordt. Daardoor zal het gebied rondom zijn varkenshouderij in een hogere beschermingscategorie ("categorie II") tegen geurhinder komen te vallen, hetgeen tot nog meer beperkingen zou leiden, aldus [appellant].

4.    De raad stelt dat de mogelijkheden voor het bedrijf van [appellant] door het plan niet worden beperkt. Het plan ziet niet op gronden van het bedrijf en het vastgestelde bestemmingsplan (maatwerkbestemming) voor het bedrijf van [appellant] aan de [locatie 3] blijft onverkort van toepassing. Voor dat bestemmingsplan is een geuronderzoek verricht. Uitgaande van het maximale aantal varkens dat op basis van dat bestemmingsplan kan worden gehouden is de geurbelasting op de nabij de varkenshouderij gelegen burgerwoningen Langeweg 12, 14 en 16 berekend. De conclusie van dit onderzoek is dat de geurbelasting ruimschoots binnen de op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) gestelde normen blijft en dat gelet daarop het woon- en leefklimaat door de varkenshouderij niet onaanvaardbaar wordt aangetast. De nieuw te bouwen villa’s liggen op grotere afstand van de varkenshouderij dan de in het geuronderzoek betrokken woningen waarvan de meest nabije op een afstand van ongeveer 85 meter van de bedrijfsbebouwing ligt. Het bouwvlak van de meest nabije nieuwe villa ligt op een afstand van minimaal 95 meter van de varkenshouderij; ingevolge de bouwregels (artikel 4.2.1 onder f) dient een afstand tot de zijperceelsgrens van 3 meter te worden gehouden. Een soortgelijke bepaling geldt voor het bedrijf van [appellant]. Derhalve is de afstand van het bedrijf tot de gevel ruim 100 meter. Overigens is de afstand voor een varkenshouderij niet maatgevend, maar de geurbelasting. De afstand tot de nieuwe woningen is hoe dan ook groter dan die tot reeds bestaande burgerwoningen. Daaruit volgt volgens de raad dat ook bij de nieuwe villa’s het woon- en leefklimaat aanvaardbaar zal zijn. De raad stelt verder dat de bestemming van de overige gronden agrarisch is en blijft. De kwalificatie van het gebied als een gebied dat zich buiten een concentratiegebied en buiten de bebouwde kom bevindt (artikel 3, eerste lid, onder d, van de Wgv) zal volgens de raad niet veranderen.

5.    De Afdeling overweegt dat het aantal varkens dat [appellant] mag houden niet wordt bepaald door het thans bestreden besluit. De door [appellant] genoemde uitspraak van de Afdeling maakt dat niet anders. Deze uitspraak had immers betrekking op een ander besluit, namelijk de weigering van een vergunning in 1997. De Afdeling was kort gezegd van oordeel dat de vergunning niet geheel mocht worden geweigerd, maar verleend moest worden voor zover deze vergunbaar was. In haar uitspraak van 27 november 2000, nr. 199902069/1 heeft de Afdeling het nieuwe besluit inzake de gevraagde vergunning, waarbij deze deels vergund en deels geweigerd is, rechtmatig bevonden .

De omvang van het bedrijf is voorts vastgelegd in het bestemmingsplan  "[locatie 4] Rockanje" (NL.IMRO.0614.1542600-0100), dat is vastgesteld op 14 december 2010. Uit het voor dat plan uitgevoerde geuronderzoek blijkt dat de geurbelasting op de nabije woningen ruim onder de ingevolge de Wgv gestelde normen blijft. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat dat ter plekke van de nieuwe woningen anders zal zijn. De mogelijkheid om woningen te bouwen leidt daarom niet tot nieuwe beperkingen voor de bedrijfsvoering van [appellant].

    Voorts overweegt de Afdeling dat de door [appellant] genoemde categorie-indeling gebaseerd is op de Brochure veehouderij en Hinderwet uit 1985. Thans wordt bij de beoordeling van geurhinder vanwege een veehouderij echter niet meer uitgegaan van deze brochure, maar van de Wgv. De omgeving van het bedrijf van [appellant] is thans aan te merken als gelegen buiten een concentratiegebied en buiten de bebouwde kom, zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, van deze wet. Nu de agrarische bestemming van de gronden rond [appellant] grotendeels in stand blijft, is er geen aanleiding  om te oordelen dat deze indeling als gevolg van het plan zal wijzigen. Voorts is er geen aanleiding voor het oordeel dat het niet mogelijk zal zijn de gronden blijvend te gebruiken voor agrarische activiteiten. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de nieuwe woningen voor [appellant] niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsvoering.

6.    [appellant] betoogt voorts dat voorafgaand aan de bestemmingswijziging een milieueffectrapport (hierna: MER) had moeten worden opgesteld, gelet op de aanwezigheid van een intensieve veehouderij.

7.    De raad heeft in de toelichting bij het bestemmingsplan bezien of een MER, dan wel een procedure om te beoordelen of een MER dient te worden opgesteld, in dit geval noodzakelijk was. De conclusie was dat de omvang van de voorziene ontwikkeling onder de in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage opgenomen drempelwaarden blijft, en dat ook op grond van de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling geen belangrijke nadelige effecten voor het milieu verwacht kunnen worden. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op dit standpunt heeft gesteld.

8.    Voor zover [appellant] heeft verzocht om vernietiging van overeenkomsten tussen de gemeente en agrariërs overweegt de Afdeling dat deze overeenkomsten geen onderdeel zijn van het bestreden besluit. Deze overeenkomsten staan dan ook in deze procedure niet ter beoordeling.

9.    Het beroep is ongegrond.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Zweistra-Immink, griffier.

w.g. Pans    w.g. Zweistra-Immink

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2017

813.