ECLI:NL:RVS:2017:1566 Raad van State , 14-06-2017 / 201601941/1/A2

Uitspraak

201601941/1/A2.

Datum uitspraak: 14 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    de directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW),

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 29 januari 2016 in zaak nr. 15/3088 in het geding tussen:

[appellant sub 2]

en

de RDW.

Procesverloop

Bij besluit van 20 november 2014 heeft de RDW op verzoek van [appellant sub 2] de tenaamstelling van het voertuig met kenteken […] (hierna: het voertuig) met ingang van die datum vervallen verklaard. Het verzoek om dit met terugwerkende kracht te laten ingaan, is afgewezen.

Bij besluit van 26 mei 2015 heeft RDW het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 januari 2016 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 26 mei 2015 vernietigd, het besluit van 20 november 2014 herroepen en bepaald dat de tenaamstelling van het voertuig per 17 oktober 2014 vervalt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de RDW hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 2] heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

De RDW heeft een zienswijze over het incidenteel hoger beroep ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 maart 2017, waar de RDW, vertegenwoordigd door mr. C. van der Berg, en [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. J.A.P.F. Hoens, advocaat te Utrecht, zijn verschenen.

Overwegingen

Samenvatting

1.    Partijen zijn verdeeld over de ingangsdatum van het vervallenverklaring van de tenaamstelling van het voertuig. De RDW heeft deze op 20 november 2014 laten ingaan, terwijl [appellant sub 2] deze op 5 september 2014 wil laten ingaan. De rechtbank heeft bepaald dat de tenaamstelling per 17 oktober 2014 vervalt. Partijen zijn het daar niet mee eens.

Aanleiding van het geschil

2.    Op 4 september 2014 heeft [appellant sub 2] het voertuig op zijn naam laten zetten. Vervolgens heeft hij een verzoek ingediend bij de RDW tot wijziging van het kentekenregister. Daarin heeft [appellant sub 2] vermeld dat het voertuig niet van hem is, de bekeuringen binnenstromen, hij geen rijbewijs heeft en daarom verzoekt het voertuig van zijn naam af te halen. Bij brief van 17 oktober 2014 heeft de politie een brief van [appellant sub 2] van gelijke datum gezonden, waarin [appellant sub 2] verzoekt om de tenaamstelling van de auto zo spoedig mogelijk vervallen te verklaren, onder verwijzing naar een, door de verbalisant ondertekend, proces-verbaal van verhoor. Daarin is vermeld dat [appellant sub 2] geen rijbewijs heeft, hij op verzoek van vrienden het voertuig op zijn naam heeft laten zetten, dit voor drie dagen zou zijn maar de vrienden vervolgens geen medewerking hebben verleend om het voertuig van zijn naam af te halen. [appellant sub 2] weet dat het voertuig wordt gebruikt door personen uit Nieuwegein, aldus het proces-verbaal. Bij e-mailbericht van 19 november 2014 heeft de RDW de politie verzocht een nieuw proces-verbaal op te sturen, waarop ook de handtekening van [appellant sub 2] staat. Diezelfde dag heeft de politie aan dit verzoek voldaan en het, door de verbalisant en [appellant sub 2] ondertekende, proces-verbaal gezonden.

Besluiten RDW

3.    Bij het, in bezwaar gehandhaafde, besluit van 20 november 2014 heeft de RDW de tenaamstelling op grond van artikel 40c, eerste lid, van het Kentekenreglement vervallen verklaard met ingang van die dag. De RDW heeft dit niet eerder laten ingaan omdat eerst op 19 november 2014 het mede door [appellant sub 2] ondertekende proces-verbaal beschikbaar was en voor die datum onvoldoende gegevens voorhanden waren. Verder heeft de RDW gewezen op het belang van de zuiverheid van het kentekenregister.

    Voor vervallenverklaring van de tenaamstelling met terugwerkende kracht, met toepassing van artikel 40c, derde lid, van het Kentekenreglement, bestaat volgens de RDW evenmin aanleiding. [appellant sub 2] heeft deel gehad aan de tenaamstelling en de door hem gestelde omstandigheden, dat hij niet in het bezit was van het voertuig en tijdig actie heeft ondernomen, bieden hiertoe geen grond, aldus de RDW.

Uitspraak van de rechtbank

4.    De rechtbank heeft het beroep van [appellant sub 2] gegrond verklaard, het in beroep bestreden besluit vernietigd, het besluit van 20 november 2014 herroepen en bepaald dat de tenaamstelling per 17 oktober 2014 vervalt. Volgens de rechtbank heeft de RDW zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat op 17 oktober 2014 onvoldoende grond bestond voor de vervallenverklaring van de tenaamstelling. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het proces-verbaal van die datum is ondertekend door de verbalisant en [appellant sub 2] de inhoud hiervan heeft onderschreven in zijn begeleidende brief.

Hoger beroep van de RDW

Vervallenverklaring per 17 oktober 2014

5.    De RDW betoogt dat de rechtbank een onjuiste toetsingsmaatstaf heeft aangelegd, althans ten onrechte geen betekenis heeft toegekend aan de belangen van de RDW. De rechtbank heeft volgens de RDW miskend dat zich complicaties kunnen voordoen met de vervallenverklaring van een tenaamstelling en dat van een belang van [appellant sub 2] bij de eerdere ingangsdatum van 17 oktober 2014 niet is gebleken. Verder heeft de RDW aangevoerd dat zij met het oog op een ordelijk verloop van administratieve processen in redelijkheid doorslaggevende betekenis mocht toekennen aan ondertekening van het proces-verbaal door [appellant sub 2] op 19 november 2014, aangezien daaruit blijkt dat hij de verklaring heeft afgelegd.     

    De RDW betoogt voorts dat de uitspraak van de rechtbank onbegrijpelijk is, nu de overweging dat zij zal bepalen dat de tenaamstelling met terugwerkende kracht per 17 oktober 2014 vervalt,  haaks staat op de motivering van de rechtbank dat geen grond bestaat om de vervallenverklaring met terugwerkende kracht te laten ingaan. Op de zitting heeft de RDW naar voren gebracht dat het verzoek van [appellant sub 2] pas als zodanig heeft te gelden, als dit compleet is. Omdat op het proces-verbaal van 17 oktober 2014 de handtekening van [appellant sub 2] ontbrak, was het verzoek toen nog niet compleet. Uitgaande van de datum dat het dossier compleet was, vindt met de vervallenverklaring van de tenaamstelling per 17 oktober 2014 terugwerkende kracht plaats, aldus de RDW.

Regelgeving

5.1.    Het Kentekenreglement, zoals dit gold ten tijde van belang en voor zover hier van belang, luidt:

"Artikel 40

De tenaamstelling in het register vervalt zodra:

[…]

g. de Dienst Wegverkeer de tenaamstelling vervallen heeft verklaard op grond van een verzoek als bedoeld in artikel 40c, eerste lid.

Artikel 40c

1. Degene die naar zijn mening ten onrechte als tenaamgestelde in het kentekenregister is vermeld, kan de Dienst Wegverkeer verzoeken de tenaamstelling te doen vervallen. De Dienst Wegverkeer verklaart de tenaamstelling vervallen indien hiervoor naar het oordeel van deze dienst voldoende gronden aanwezig zijn.

2. De tenaamstelling in het kentekenregister vervalt niet eerder dan op de dag waarop daartoe een verzoek bij deze dienst is ingediend.

3. In afwijking van het tweede lid kan de Dienst Wegverkeer in uitzonderlijke gevallen het vervallen van de tenaamstelling eerder laten ingaan".

Beoordeling vervallenverklaring per 17 oktober 2014

5.2.    [appellant sub 2] heeft een verzoek gedaan in de zin van artikel 40c, eerste lid, van het Kentekenreglement. De RDW komt bij de uitoefening van de in die bepaling opgenomen bevoegdheid beoordelingsruimte toe.

    Op 1 januari 2014 zijn nieuwe bepalingen opgenomen in het Kentekenreglement over de ingangsdatum van de vervallenverklaring. Op grond van artikel 40c, tweede lid, van het Kentekenreglement geldt als hoofdregel dat de vervallenverklaring van de tenaamstelling niet eerder ingaat dan op de dag dat het verzoek bij de RDW is ingediend. In uitzonderingssituaties kan de RDW op grond van het derde lid van dit artikel de vervallenverklaring laten ingaan met terugwerkende kracht. Dat laatste wil zeggen, zoals ook blijkt uit de geschiedenis van totstandkoming van deze bepaling (Stb. 2013, 523, blz. 45), dat de vervallenverklaring ingaat op een voor het verzoek gelegen datum.  

5.3.    De politie heeft het proces-verbaal van 17 oktober 2014 gezonden naar de RDW met een begeleidende brief van de politie van gelijke datum. In het proces-verbaal zijn de persoonsgegevens van [appellant sub 2] vermeld. Het proces-verbaal is ondertekend door de verbalisant. Bij deze stukken is ook een begeleidende brief van [appellant sub 2] van 17 oktober 2014 gevoegd, die door hem is ondertekend, waarin hij de inhoud van het proces-verbaal onderschrijft met de mededeling dat hij nu begrijpt dat hij zich heeft laten gebruiken als katvanger. Gelet op die omstandigheden, in samenhang bezien,  leed het geen twijfel dat het proces-verbaal de verklaring van [appellant sub 2] bevatte en niet van een ander. Zijn ondertekening van het proces-verbaal nadien is niet meer dan een bevestiging van dit laatste. Met het proces-verbaal en de begeleidende brieven van de politie en van [appellant sub 2] van 17 oktober 2014 beschikte de RDW over de gegevens op grond waarvan zij de tenaamstelling nadien vervallen heeft verklaard. Anders dan de RDW aanvoert, heeft [appellant sub 2] aannemelijk gemaakt dat hij belang had om de vervallenverklaring reeds op die datum te laten ingaan. Naar [appellant sub 2] onweersproken heeft gesteld, zijn in de korte tijd dat het voertuig op zijn naam heeft gestaan twaalf verkeersovertredingen met het voertuig begaan, waarvoor hij aansprakelijk wordt gehouden. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de RDW zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat op 17 oktober 2014 nog onvoldoende grond bestond voor de vervallenverklaring.

Geen terugwerkende kracht

5.4.    De rechtbank heeft gemotiveerd waarom geen grond bestaat om het vervallen van de tenaamstelling met terugwerkende kracht te laten ingaan met toepassing van artikel 40c, derde lid, van het Kentekenreglement. Hoewel de rechtbank inderdaad in haar overweging, dat zij zal bepalen dat de tenaamstelling met terugwerkende kracht per 17 oktober 2014 vervalt, kennelijk abusievelijk de woorden "met terugwerkende kracht" heeft gebruikt, heeft de rechtbank in het dictum van de uitspraak ondubbelzinnig bepaald dat de tenaamstelling van het voertuig vervalt per 17 oktober 2014. Op die datum heeft [appellant sub 2] het verzoek voldoende aangevuld, gelet op hetgeen onder 5.3. is overwogen. Anders dan de RDW aanvoert, leidt de uitspraak dus niet tot vervallenverklaring van de tenaamstelling met terugwerkende kracht, aangezien deze niet ingaat op een voor het verzoek gelegen datum.      

5.5.    Het betoog van de RDW faalt.

Dictum

6.    Voorts betoogt de RDW dat het dictum niet juist is, nu het register niet wijzigt met de bepaling dat de tenaamstelling van het voertuig per 17 oktober 2014 vervalt. Volgens de RDW had de rechtbank de RDW de opdracht moeten geven tot het nemen van een nieuw besluit dat erop is gericht de tenaamstelling in het register te wijzigen per die datum.

Regelgeving

6.1.    Artikel 8:72 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), voor zover hier van belang, luidt:

"3. De bestuursrechter kan bepalen dat:

[…]

b. zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan.

4. De bestuursrechter kan, indien toepassing van het derde lid niet mogelijk is, het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van zijn aanwijzingen".

Beoordeling dictum

6.2.    De rechtbank heeft het besluit van 20 november 2014 herroepen en bepaald dat de tenaamstelling van het voertuig per 17 oktober 2014 vervalt. Daarmee heeft de rechtbank het geschil finaal beslecht door op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Nu het voor de rechtbank duidelijk was welke beslissing moest worden genomen en niet is gebleken dat derdebelanghebbenden in hun belangen kunnen worden geschaad door deze wijze van afdoening, ziet de Afdeling geen aanleiding dit onjuist te achten. Voor het oordeel dat de rechtbank toepassing had moeten geven aan artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, ziet de Afdeling geen grond. Het betoog van de RDW faalt in zoverre.

6.3.    In het dictum is ten onrechte niet vermeld dat de uitspraak van de rechtbank in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Het betoog van de RDW over de onduidelijkheid van het dictum treft in zoverre doel. De Afdeling zal deze omissie herstellen door de aangevallen uitspraak in zoverre te vernietigen en alsnog te bepalen dat de uitspraak van de Afdeling in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Incidenteel hoger beroep [appellant sub 2]

7.    [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de tenaamstelling van het voertuig per 17 oktober 2014 vervalt. Hij voert aan dat hij snel heeft gehandeld om te bereiken dat zijn tenaamstelling in het kentekenregister zo spoedig mogelijk vervalt en voldoende duidelijk heeft gemaakt dat hij hierbij belang heeft. De rechtbank had daarom met toepassing van artikel 40c, derde lid, van het Kentekenreglement moeten bepalen dat de tenaamstelling met terugwerkende kracht vervalt met ingang van 5 september 2014. Volgens [appellant sub 2] bestond voorts in ieder geval voldoende aanleiding om de vervallenverklaring te laten ingaan per 10 oktober 2014, de datum dat hij het verzoek bij de RDW heeft ingediend. Volgens [appellant sub 2] staat de zuiverheid van het kentekenregister niet hieraan in de weg en dienen zijn belangen het zwaarst te wegen.

Beoordeling incidenteel hoger beroep

7.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2681), voert de RDW het beleid dat in beginsel geen terugwerkende kracht wordt verleend aan besluiten die zijn genomen met toepassing van artikel 40c van het Kentekenregister, maar dat in bepaalde gevallen onjuiste gegevens ook met terugwerkende kracht worden gecorrigeerd. De RDW volgt daarbij de nota van toelichting bij het Besluit van 26 november 2013 tot wijziging van het Kentekenreglement (Stb. 2013, 523, blz. 45), waarin staat dat artikel 40c, derde lid, is bedoeld voor gevallen waarin de geregistreerde op geen enkele manier deel heeft aan de tenaamstelling, bijvoorbeeld als gevolg van identiteitsfraude. Een dergelijke situatie doet zich onder meer voor in gevallen die vergelijkbaar zijn met het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Romet tegen Nederland, arrest van 14 februari 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0214JUD000709406. De Afdeling heeft in de uitspraak van 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1924, overwogen dat dit beleid niet onredelijk is. De juistheid van het kentekenregister en de rechtszekerheid met betrekking tot de tenaamstelling rechtvaardigen een dergelijk beleid. Gebruikers van dat register, waaronder ook particulieren, moeten op elk moment aan de hand van de registratie kunnen bepalen wie op een bepaalde datum houder was van een voertuig, zonder dat zij erop bedacht behoeven te zijn dat die registratie in de toekomst wordt aangepast, aldus de uitspraak van 12 oktober 2016.

7.2.    [appellant sub 2] heeft het kenteken zelf op zijn naam laten zetten. Hij heeft dus, zoals de rechtbank terecht heeft vastgesteld, meegewerkt aan de tenaamstelling. In hetgeen [appellant sub 2] naar voren heeft gebracht, behoefde de RDW geen aanleiding te zien de tenaamstelling met terugwerkende kracht vervallen te verklaren met ingang van 5 september 2014. Niet is gebleken dat het handelen overeenkomstig het beleid in dit geval gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen en die de RDW aanleiding hadden moeten geven om met toepassing van artikel 4:84 van de Awb van het beleid af te wijken.

7.3.    [appellant sub 2] heeft in zijn verzoek van 10 oktober 2014 vermeld dat het voertuig niet van hem is, de bekeuringen binnenstromen, hij geen rijbewijs heeft en daarom verzoekt het voertuig zo spoedig mogelijk van zijn naam af te halen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de RDW zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat op dat moment onvoldoende grond bestond om het verzoek van [appellant sub 2] toe te wijzen. [appellant sub 2] had bij indiening van zijn verzoek namelijk nog geen bewijsstukken overgelegd. Eerst bij brief en proces-verbaal van de politie van 17 oktober 2014 heeft [appellant sub 2] zijn verzoek aangevuld en de omstandigheden uitvoerig uiteengezet. Met die stukken heeft hij aannemelijk gemaakt dat hij zich heeft laten gebruiken als katvanger en voldoende gronden aangevoerd voor vervallenverklaring van de tenaamstelling als bedoeld in artikel 40c, eerste lid, van het Kentekenreglement. De rechtbank heeft dan ook terecht bepaald dat de vervallenverklaring ingaat op 17 oktober 2014.  

7.4.    Het betoog van [appellant sub 2] faalt.

Conclusie

8.    Het hoger beroep van de RDW is, uitsluitend vanwege hetgeen onder 6.3 is overwogen, gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarbij is nagelaten te bepalen dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Het hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Voor het overige zal de Afdeling de aangevallen uitspraak bevestigen. Dit betekent dat de RDW het kentekenregister moet aanpassen in die zin dat de tenaamstelling van het voertuig vanaf 17 oktober 2014 vervalt.

9.    De RDW dient ten aanzien van [appellant sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep van de directie van de Dienst Wegverkeer gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 29 januari 2016 in zaak nr. 15/3088 voor zover daarbij is nagelaten te bepalen dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

III.    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

IV.    verklaart het hoger beroep van [appellant sub 2] ongegrond;

V.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VI.    veroordeelt de directie van de Dienst Wegverkeer tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. de Vlieger-Mandour, griffier.

w.g. Polak    w.g. De Vlieger-Mandour

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2017

615.