ECLI:NL:RVS:2017:1570 Raad van State , 14-06-2017 / 201608062/1/A2

Uitspraak

201608062/1/A2.

Datum uitspraak: 14 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 14 oktober 2016 in zaak nr. 16/1618 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2016 heeft het CBR geweigerd [appellant] een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën B en BE te verstrekken.

Bij besluit van 16 juni 2016 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 oktober 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juni 2017, waar het CBR, vertegenwoordigd door mr. A. Reuver, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij brief van 23 september 2015 heeft het CBR [appellant] naar aanleiding van de door hem ingevulde eigen verklaring voor het vernieuwen van zijn rijbewijs, medegedeeld dat een nader onderzoek door een psychiater nodig is. Dit nader onderzoek is op 23 oktober 2015 uitgevoerd door keurend psychiater H.L.S.M. Busard.

    De psychiater heeft op 26 oktober 2015 aan het CBR verslag uitgebracht van deze keuring. De keuring heeft de psychiater volgens het verslag tot de conclusie ‘alcoholmisbruik’ geleid, op grond waarvan de psychiater het CBR heeft geadviseerd [appellant] ongeschikt te verklaren voor alle categorieën.

Toepasselijke regelgeving

2.    Artikel 101, eerste lid, aanhef en onder a, van het Reglement rijbewijzen luidt: "Het CBR is bevoegd te vorderen dat de aanvrager zich op eigen kosten laat keuren door een of meer door het CBR aangewezen artsen of andere deskundigen dan wel dat de aanvrager zich onderwerpt aan een technisch onderzoek, verricht door een door het CBR aangewezen deskundige, of aan een rijproef, afgenomen door een door het CBR aangewezen deskundige, indien de door de aanvrager overgelegde eigen verklaring dan wel, indien een geneeskundig verslag wordt vereist, het geneeskundig verslag daartoe aanleiding geeft."

    Artikel 102, eerste lid, luidt: "Door de aangewezen arts of artsen wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk acht weken na de aanvang van de keuring, bedoeld in artikel 101, eerste lid aan het CBR schriftelijk medegedeeld voor welke rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën de aanvrager naar zijn of naar hun oordeel voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid en voor welke rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën hij aan die eisen niet voldoet."

    Artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 luidt: "De eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage" (hierna: de Bijlage).

    Paragraaf 8.8 van de Bijlage "Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)" luidt: "Voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen is een specialistisch rapport vereist.

    Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt.

    Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport - geschikt kunnen worden geacht.

    Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid."

Gronden van het hoger beroep

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank door te overwegen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat het psychiatrische rapport gebreken vertoont of inhoudelijk tegenstrijdig is, heeft miskend dat de psychiater zich voornamelijk baseert op de uitslag van het laboratoriumonderzoek. De psychiater stelt wel in zijn conclusie dat de bevindingen op psychiatrisch terrein onderstreept worden door het bloedonderzoek, maar uit de inhoud van het rapport blijkt dat niet althans onvoldoende. De psychiater lijkt zijn oordeel mede te baseren op het feit dat [appellant] de avond voor de keuring heeft gedronken, waaruit enige nonchalance zou blijken. De psychiater lijkt daarmee te miskennen dat het gebruik van alcohol niet betekent dat sprake is van alcoholmisbruik. Alleen de uitslag van het laboratoriumonderzoek is onvoldoende voor de conclusie dat sprake is van alcoholmisbruik. Daaraan doet niet af dat enkele waarden te hoog zijn, nu daar door de huisarts een mogelijke en andere aannemelijke verklaring voor wordt gegeven. Daaraan doet ook niet af dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, de gestelde mogelijke bijwerkingen van de medicijnen die [appellant] gebruikt, alleen zien op de bij hem geconstateerde verhoogde Gamma-GT en ASAT-waarden en dus niet op de CDT-waarde. Zoals in beroep al is aangegeven, is de CDT-waarde nauwelijks verhoogd ten opzichte van het afkappunt, aldus [appellant].

Beoordeling van het hoger beroep

4.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 20 januari 2016; ECLI:NL:RVS:2016:111), bestaat aanleiding om een op een psychiatrisch rapport gebaseerd besluit van het CBR niet in stand te laten, indien het psychiatrisch rapport naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren.

4.1.    Het betoog van [appellant] dat de conclusie alcoholmisbruik niet kan steunen op de resultaten van het laboratoriumonderzoek, leidt niet tot het daarmee beoogde doel. Zoals het CBR in zijn schriftelijke uiteenzetting heeft gesteld, is de psychiater op grond van alle relevante gegevens, waaronder de voorgeschiedenis van alcoholmisbruik, de alcoholfoetor ten tijde van de keuring, de verhoogde laboratoriumwaarden en de aanwijzingen voor alcoholmisbruik bij het psychiatrisch onderzoek, tot zijn conclusie alcoholmisbruik gekomen. De psychiater, die deskundig is ter zake van alcoholgebruik, is blijkens zijn rapport, op basis van al zijn bevindingen in onderlinge samenhang beschouwd, tot deze diagnose gekomen. Anders dan [appellant] stelt, is de diagnose dus niet uitsluitend op grond van de resultaten van het laboratoriumonderzoek gesteld. [appellant] heeft geen bericht van een medisch deskundige overgelegd waarin de diagnose van de psychiater wordt weersproken. Nu hij niet op andere wijze aannemelijk heeft gemaakt dat de psychiatrische rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, zodanig dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren, was het volgens vaste jurisprudentie (onder meer de uitspraak van de Afdeling van 4 juni 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD3108) aan [appellant] om in dat verband aannemelijk te maken dat, zoals hij stelt, de in de psychiatrische rapportage vermelde verhoogde bloedwaarden zijn veroorzaakt door een andere oorzaak dan misbruik van alcohol. De rechtbank heeft terecht en op juiste gronden overwogen dat [appellant] met de door hem in bezwaar overgelegde verklaring van zijn huisarts van 25 mei 2016 niet aannemelijk heeft gemaakt dat de verhoogde gamma-GT-, ALAT- en CDT-waarden bij hem een andere oorzaak hebben dan overmatig alcoholgebruik. Met zijn stelling dat de CDT-waarde nauwelijks is verhoogd ten opzichte van het afkappunt gaat [appellant] eraan voorbij dat het aan hem is om een andere oorzaak van de verhoogde CDT-waarde aannemelijk te maken. Het CBR heeft er voorts terecht op gewezen dat zelfs een CDT-waarde onder het afkappunt niet betekent dat de verhoogde waarde niet aan overmatig alcoholgebruik kan worden toegeschreven.

    De conclusie is dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat het CBR zich op basis van het rapport van de psychiater op het standpunt mocht stellen dat [appellant] ongeschikt is voor het besturen van motorrijtuigen.

    Het betoog faalt.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. van Zanten, griffier.

w.g. Pans    w.g. Van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2017

97.