ECLI:NL:RVS:2017:1582 Raad van State , 14-06-2017 / 201605045/1/A2

Uitspraak

201605045/1/A2.

Datum uitspraak: 14 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 17 juni 2016 in zaak nr. 15/6578 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2013 definitief berekend en vastgesteld op nihil en het betaalde voorschot van € 4.792,00 teruggevorderd.

Bij besluit van 6 maart 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2012 definitief berekend en vastgesteld op nihil en het betaalde voorschot van € 3.867,00 teruggevorderd.

Bij besluit van 26 oktober 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de door [appellante] tegen deze besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 juni 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 maart 2017, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. E.J.E. Groothuis, is verschenen.

Overwegingen

1.    Niet in geschil is dat [appellante] in 2012 en 2013 geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang en daarom geen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag over die jaren. In geschil is de terugvordering van de over die jaren betaalde voorschotten kinderopvangtoeslag.

2.    Het betoog van [appellante] dat de rechtbank ten onrechte niet heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen in de bezwaarfase het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden omdat de dienst haar toen niet desgevraagd alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft toegezonden, kan niet leiden tot het daarmee beoogde doel.

    Volgens het aanvullende beroepschrift van 11 januari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het volledige dossier in de beroepsfase aan de advocaat van [appellante] gezonden. [appellante] heeft in beroep en in hoger beroep ruim de gelegenheid gekregen haar bezwaren tegen de terugvordering van de voorschotten kinderopvangtoeslag over 2012 en 2013 naar voren te brengen, waarvan zij gebruik heeft gemaakt. Indien [appellante] in de bezwaarfase niet over alle stukken beschikte, zoals zij heeft gesteld en de Belastingdienst/Toeslagen heeft ontkend, dan acht de Afdeling aannemelijk dat zij daardoor niet in haar belangen is geschaad.

3.    [appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen de voorschotten kinderopvangtoeslag over 2012 en 2013 terecht heeft teruggevorderd. Zij voert aan dat de voorschotten kinderopvangtoeslag door de Belastingdienst/Toeslagen steeds op de rekening van het kindercentrum zijn gestort. Bij de beëindiging van de kinderopvang per 1 januari 2012 heeft de directeur van het kindercentrum [appellante] toegezegd dit te zullen doorgeven aan de Belastingdienst/Toeslagen, hetgeen hij echter niet heeft gedaan. Het kindercentrum is inmiddels failliet verklaard. Volgens [appellante] heeft zij niet de mogelijkheid gehad het bedrag van de terugvordering vóór dat faillissement op het kindercentrum te verhalen als gevolg van het feit dat de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslagen niet binnen de wettelijke beslistermijn heeft vastgesteld. [appellante] voert aan dat de Belastingdienst/Toeslagen weliswaar niet af mag zien van terugvordering, maar het is volgens haar juridisch wel mogelijk om haar vordering op het kindercentrum te cederen aan de Belastingdienst/Toeslagen. [appellante] doet in dit verband een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Zij voert aan dat in gevallen waarin een persoonsgebonden budget (hierna: PGB) wordt teruggevorderd van budgethouders die slachtoffer zijn van frauduleuze zorgverleners, de budgethouder de vordering niet hoeft terug te betalen aan het zorgkantoor, maar de vordering kan cederen zodat het verhaalrisico bij de zorgkantoren komt te liggen.

3.1.    De artikelen 17, eerste lid, en 26 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna Awir) luiden als volgt:

Artikel 17

1.    Indien een voorschot op de tegemoetkoming is verleend en er een relevante wijziging optreedt in de omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming, is de belanghebbende gehouden die wijziging te melden aan de Belastingdienst/Toeslagen.

Artikel 26

Indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, is de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd.

3.2.    Het is ingevolge artikel 17, eerst lid, van de Awir aan [appellante] om wijzigingen door te geven die relevant zijn voor de verlening van kinderopvangtoeslag. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat [appellante] zelf verantwoordelijk was voor het stopzetten van de kinderopvangtoeslag omdat zij per 1 januari 2012 geen gebruik meer maakte van kinderopvang. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, heeft [appellante] over 2012 en 2013 verschillende beschikkingen ontvangen waaruit zij kon en moest begrijpen dat de kinderopvangtoeslag niet was stopgezet, maar zij heeft naar aanleiding daarvan geen actie ondernomen. Dat de Belastingdienst/Toeslagen niet binnen de in artikel 19, eerste lid, van de Awir bedoelde termijn de kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2012 en 2013 heeft vastgesteld, maakt niet dat de dienst gehouden zou zijn mee te werken aan cessie van de vorderingen van [appellante] op het kindercentrum. Op de dienst rust daartoe geen verplichting. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen de betaalde voorschotten kinderopvangtoeslag over 2012 en 2013 terecht van [appellante] terugvordert, nu deze voorschotten aan [appellante] als aanvrager en begunstigde zijn toegekend en zijn uitbetaald op het door haar bij de Belastingdienst/Toeslagen opgegeven rekeningnummer. In artikel 26 van de Awir is dwingend bepaald dat indien een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming leidt tot een terug te vorderen bedrag, de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel is verschuldigd. In de Awir is geen bepaling opgenomen op grond waarvan de Belastingdienst/Toeslagen van terugvordering kan afzien.

3.3.    Het beroep van [appellante] op het gelijkheidsbeginsel kan niet tot een ander oordeel leiden. Hetgeen zij heeft aangevoerd met betrekking tot de terugvordering van PGB’s is voor deze zaak niet relevant. Op die terugvordering is andere wetgeving met een ander beoordelingskader van toepassing. [appellante] heeft geen gelijke gevallen genoemd waarin de Belastingdienst/Toeslagen van terugvordering heeft afgezien.

3.4.    Het betoog faalt.

4.    [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank haar beroep op het vertrouwensbeginsel ten onrechte heeft afgewezen. Zij stelt na ontvangst van de definitieve vaststelling van haar kinderopvangtoeslag over 2011 in februari 2012 meteen de belastingtelefoon te hebben gebeld om haar toeslag stop te zetten. Volgens [appellante] heeft de medewerker van de belastingtelefoon gezegd dat haar kinderopvangtoeslag zou worden stopgezet en dat zij verder niets hoefde te doen. [appellante] voert aan dat zij op die toezegging mocht vertrouwen. Door op deze toezegging te vertrouwen heeft zij nu niet meer de mogelijkheid om de terugvordering te verhalen op het kindercentrum. [appellante] voert, met een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 3 januari 1990, nr. 26 325 (onder meer gepubliceerd in BNB 1990/148), aan dat het bedrag van de terugvordering daarom kwalificeert als door haar geleden schade.

4.1.    Volgens het verweerschrift heeft de Belastingdienst/Toeslagen in zijn systemen geen aantekeningen of telefoonnotities gevonden waaruit blijkt dat [appellante] in 2012 telefonisch contact heeft gehad met de belastingtelefoon. [appellante] heeft voorts niet aangetoond dat zij het gestelde telefonische contact met de belastingtelefoon heeft gehad. [appellante] heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat zij de kinderopvangtoeslag begin 2012 telefonisch heeft stopgezet.

    Het beroep van [appellante] op het arrest van de Hoge Raad van 3 januari 1990 kan niet tot een ander oordeel leiden. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat volgens dat arrest een belastingplichtige schade moet lijden bovenop de wettelijk verschuldigde belasting die hij moet betalen. Ingevolge artikel 26 van de Awir moet [appellante] de onterecht uitbetaalde voorschotten kinderopvangtoeslag over 2012 en 2013 aan de Belastingdienst/Toeslagen betalen. De teruggevorderde voorschotten kunnen dus niet worden aangemerkt als door [appellante] geleden schade.

    Het betoog faalt.

5.    Het betoog van [appellante] dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op haar betoog dat de Belastingdienst/Toeslagen haar ten onrechte in de bezwaarfase niet heeft gehoord, kan evenmin leiden tot het daarmee beoogde doel.

    Ingevolge artikel 7.3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat evident is dat de Belastingdienst/Toeslagen verplicht was de onterecht betaalde voorschotten kinderopvangtoeslag van [appellante] terug te vorderen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft derhalve terecht het bezwaar van [appellante] kennelijk ongegrond geacht zodat van het horen kon worden afgezien.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, griffier.

w.g. Hoogvliet    w.g. Oranje

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2017

507.