ECLI:NL:RVS:2017:1623 Raad van State , 21-06-2017 / 201701471/1/R3

Uitspraak

201701471/1/R3.

Datum uitspraak: 21 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en Phinmis B.V., gevestigd te Moerkapelle, gemeente Zuidplas,

en

de raad van de gemeente Zuidplas,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2016 heeft de raad onder meer besloten het bestemmingsplan "Rottedijk 10A, Moerkapelle" niet vast te stellen.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en Phinmis B.V. beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van [appellant A] en Phinmis B.V. heeft de Afdeling beslist de zaak versneld te behandelen als bedoeld in artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [belanghebbende A] namens een groep omwonenden een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 mei 2017, waar [appellant A] en Phinmis B.V., vertegenwoordigd door [appellant A], beide bijgestaan door mr. C.J.R. van Binsbergen, advocaat te Alphen aan den Rijn, en de raad, vertegenwoordigd door A. de Vries werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn als derdebelanghebbenden ter zitting verschenen [belanghebbende A], [belanghebbende B], [belanghebbende C], [belanghebbende D] en [belanghebbende E] (hierna: [belanghebbende] en anderen).

Overwegingen

Intrekking

1.    Ter zitting hebben [appellant A] en Phinmis B.V. hun beroepsgrond over het verbod van vooringenomenheid ingetrokken.

Inleiding

2.    [appellant A] en Phinmis B.V. willen een woning met kantoor bouwen op het perceel Rottedijk 10A. De vigerende bestemming "Agrarisch" met aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - kantoor, garage, berging" laat op dit perceel geen woonfunctie toe. [appellant A] en Phinmis B.V. zijn hierover sinds 2004 met het gemeentebestuur in overleg.

3.    [belanghebbende] en anderen kunnen zich niet vinden in de wens van [appellant A] en Phinmis B.V om een woning aan de Rottedijk 10A te bouwen. Een en ander heeft geleid tot verstoorde verhoudingen in de buurt. Om de rust in de buurt te doen terugkeren en met alle betrokkenen tot een passende oplossing te komen, is een mediationtraject gestart. Dit heeft geresulteerd in de "Vaststellingsovereenkomst mediation Rottedijk" van 7 maart 2014 (hierna: de vaststellingsovereenkomst) waarin een planregeling voor een woning met kantoor op het perceel Rottedijk 10A is omschreven. Bij deze vaststellingsovereenkomst waren onder meer de gemeente, [appellant A], Phinmis B.V. en [belanghebbende] en anderen partij. De partijen bij de overeenkomst verschillen onder meer van mening over de kwestie op welke wijze de in de vaststellingsovereenkomst omschreven planregeling voor een woning met kantoor moet worden uitgelegd.

4.    Op 5 februari 2015 heeft het college van burgemeester en wethouders het ontwerpbestemmingsplan "Rottedijk 10A, Moerkapelle" ter inzage gelegd. Naar aanleiding van de zienswijze van [belanghebbende] en anderen over het ontwerpplan, heeft de raad besloten het bestemmingsplan "Rottedijk 10A, Moerkapelle" niet vast te stellen.

Toetsingskader

5.    Bij het besluit omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsruimte en moet hij de betrokken belangen afwegen. De Afdeling maakt die belangenafweging niet zelf, maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit om het bestemmingsplan niet vast te stellen in overeenstemming is met het recht.

Ontvankelijkheid

6.    [belanghebbende] en anderen hebben naar voren gebracht dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat Phinmis B.V. geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren heeft gebracht en [appellant A] geen belanghebbende is.

6.1.    Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb luidt: "Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."

    Artikel 8:1 luidt: "Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter."

    Artikel 6:13 luidt: "Geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht (…)."

6.2.    Vast staat dat Phinmis B.V. als eigenaar van het perceel Rottedijk 10A belanghebbende is bij het bestreden besluit. Phinmis B.V. heeft geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht. Naar het oordeel van de Afdeling kan dit haar redelijkerwijs echter niet worden verweten, omdat zij als gevolg van het bestreden besluit waarbij is besloten het bestemmingsplan "Rottedijk 10A, Moerkapelle" niet vast te stellen in een nadeliger positie is komen te verkeren ten opzichte van het ontwerpplan dat voorzag in de door haar gewenste woning met kantoor op het perceel Rottedijk 10A.

    Gelet op het voorgaande is het beroep, voor zover ingesteld door Phinmis B.V., ontvankelijk.

6.3.    Ter zitting is gebleken dat [appellant A] bestuurder en aandeelhouder is van Phinmis B.V. De Afdeling stelt vast dat [appellant A] slechts in deze hoedanigheid belang heeft bij het bestreden besluit. Dit belang is echter niet rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken, maar is een afgeleid belang. [appellant A] is derhalve geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb.

    Gelet op het voorgaande is het beroep, voor zover ingesteld door [appellant A], niet-ontvankelijk.

Beoordeling van de beroepsgronden woonfunctie op het perceel Rottedijk 10A

7.    Phinmis B.V. betoogt dat de raad ten onrechte geen ruimtelijke motieven ten grondslag heeft gelegd aan zijn weigering het bestemmingsplan vast te stellen. Volgens haar heeft de raad zich bij het nemen van het bestreden besluit uitsluitend laten leiden door de onenigheid die is ontstaan over de interpretatie van de vaststellingsovereenkomst. Zij voert aan dat de voorliggende conceptplanregeling voor het perceel Rottedijk 10A een ruimtelijke verbetering was ten opzichte van hetgeen op basis van de thans geldende planregeling op het perceel mag worden gebouwd.

7.1.    In het ontwerpplan "Rottedijk 10A, Moerkapelle" is voor het perceel Rottedijk 10A onder meer de bestemming "Wonen" opgenomen met een bouwvlak. Dit is anders dan in het thans voor het perceel geldende plan waarin voor dit perceel de bestemming "Agrarisch" geldt met een bouwvlak. In het ontwerpplan is verder opgenomen dat een kantoor met een maximale vloeroppervlakte van 90 m² en een garage en berging met een gezamenlijke maximale vloeroppervlakte van 40 m² zijn toegestaan. Dit is in het thans geldende plan ook al toegestaan op het perceel.

7.2.    Uit het raadsvoorstel volgt, zoals de raad ter zitting ook heeft toegelicht, dat het in beginsel niet in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid om een woonfunctie op het perceel Rottedijk 10A toe te staan, gelet op het bijzondere karakter van het gebied dat zich kenmerkt door de uitloper van de Rotte en een viertal karakteristieke molenstompen. De raad heeft ter zitting verduidelijkt dat hij bij wijze van uitzondering bereid was om van dit gemeentelijk beleid af te wijken en een woonfunctie ter plaatse toch toe te staan, indien hiermee kon worden bereikt dat de gemoederen in de buurt tot bedaren konden worden gebracht. De raad heeft daarom alleen een woonfunctie in dit gebied willen toestaan indien [belanghebbende] en anderen en Phinmis B.V. het eens zouden worden over de omvang en situering van een nieuwe woning op het perceel. Nu dit niet is gebeurd en met het toevoegen van een woonfunctie aan het perceel Rottedijk 10A wat betreft de verstoorde verhoudingen in de buurt dus geen winst kan worden behaald, heeft de raad geen aanleiding gezien om van zijn beleidsuitgangspunt over wonen aan de Rottedijk af te wijken.

    Gelet op het beleidsuitgangspunt van de raad dat het in beginsel niet wenselijk is om een nieuwe woonfunctie toe te staan in het gebied dat zich kenmerkt door de uitloper van de Rotte en een viertal karakteristieke molenstompen, en er in dit geval ook geen reden is om van dit uitgangspunt af te wijken, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat er geen ruimtelijke argumenten aan het bestreden ten grondslag liggen.

    Het betoog faalt.

Financiële belang

8.    Phinmis B.V. betoogt dat de raad in strijd met het evenredigheidsbeginsel onvoldoende gewicht heeft toegekend aan haar financiële belang bij de vaststelling van het plan. Hiertoe voert zij aan met zeer hoge sloopkosten geconfronteerd te zullen worden.

8.1.    Ter zitting is verduidelijkt dat Phinmis B.V. ongeveer € 200.000,- aan kosten heeft gemaakt voor het storten van de fundering voor een woning met kantoor. Vast staat dat is begonnen met bouwen zonder een daarvoor benodigde publiekrechtelijke titel. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat hij op de hoogte is van de kosten die reeds zijn gemaakt voor het storten van de fundering, maar dat dit een omstandigheid is die voor het eigen risico van Phinmis B.V. moet blijven nu zij zonder publiekrechtelijke titel is begonnen met bouwen. Dat de raad in het financiële belang van Phinmis B.V. geen reden heeft gezien het bestemmingsplan "Rottedijk 10A, Moerkapelle" vast te stellen, acht de Afdeling niet onredelijk. Het betoog faalt.

Overig

9.    Phinmis B.V. kan zich voorts niet verenigen met een passage op pagina 4 van het raadsvoorstel waarin het college aankondigt niet handhavend te zullen optreden. Verder komt zij op tegen punt 5 van het raadsbesluit waarin staat dat ook voor het overige geen ruimtelijke procedures meer zullen worden opgestart voor ontwikkelingen op het perceel Rottedijk 10A.

9.1.    De passage op pagina 4 is afkomstig van het college en maakt geen onderdeel uit van het aangevallen besluit. Punt 5 van het raadsbesluit ziet op mogelijke toekomstige besluiten. Het betoog faalt.

Conclusie

10.    Gelet op het voorgaande is het beroep, voor zover ingesteld door [appellant A], niet-ontvankelijk en, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Proceskosten

11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep, voor zover ingesteld door [appellant A], niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Zweistra-Immink, griffier.

w.g. Uylenburg    w.g. Zweistra-Immink

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2017

813.