ECLI:NL:RVS:2017:1629 Raad van State , 21-06-2017 / 201608902/1/A2

Uitspraak

201608902/1/A2.

Datum uitspraak: 21 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 26 oktober 2016 in zaken nrs. 16/577 en 16/625 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluiten van 30 november 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen verzoeken van [appellant] om bij de berekening van de huurtoeslag over 2012 en 2013 met een bijzondere situatie rekening te houden afgewezen.

Bij besluit van 19 januari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 oktober 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juni 2017, waar [appellant] en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] heeft in 2012 en 2013 voorschotten huurtoeslag ontvangen. Bij besluit van 28 februari 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de definitief berekende huurtoeslag over 2012 aangepast en vastgesteld op nihil en € 3.076,00 aan teveel uitgekeerde voorschotten teruggevorderd. Bij besluit van 8 augustus 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag over 2013 definitief berekend en vastgesteld op € 2.310,00 en € 726,00 aan teveel uitgekeerde voorschotten teruggevorderd. Aan beide besluiten is ten grondslag gelegd dat er gegevens over het vastgestelde inkomen van [appellant] zijn ontvangen en dat op grond daarvan is gebleken dat het inkomen van [appellant] te hoog is om aanspraak te kunnen maken op (meer) huurtoeslag.

    Bij formulieren, ondertekend op 10 maart 2015 heeft [appellant] bezwaar gemaakt tegen de definitieve berekeningen van de huurtoeslag over de jaren 2012 en 2013 en verzocht om bij de berekening van de huurtoeslag over die jaren een uitbetaald voorschot op een schadevergoeding in verband met een ongeval en de afkoop van een pensioen buiten beschouwing te laten.

    Bij afzonderlijke besluiten van 30 november 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen verzoeken van [appellant] om bij de berekening van de huurtoeslag over 2012 en 2013 met een bijzondere situatie rekening te houden afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat een verzoek om met een bijzondere situatie rekening te houden kan worden gedaan tot aan het moment waarop de termijn om bezwaar te maken tegen de definitieve berekening is verstreken. [appellant] kon tot 12 april 2014 bezwaar maken tegen de definitieve berekening over 2012 en tot 19 september 2014 tegen de definitieve berekening over 2013. De verzoeken zijn ontvangen op 18 maart 2015 en derhalve buiten vorenbedoelde termijn. In bezwaar zijn de besluiten van 30 november 2015 gehandhaafd.

    De rechtbank heeft het standpunt van de Belastingdienst/Toeslagen onderschreven en het beroep ongegrond verklaard.

Hoger beroep

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank, door te oordelen dat niet is gebleken dat het voor hem onmogelijk was om tijdig een verzoek in te dienen, onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. Ter onderbouwing voert hij aan dat hij in 2011 een zeer ernstig ongeluk heeft gehad, waarvan hij nog steeds niet volledig hersteld is. De afgelopen jaren stonden in het teken van de fysieke revalidatie en het verwerken van psychische problemen, waardoor hij onvoldoende aandacht heeft kunnen besteden aan zijn administratie en dientengevolge de termijn voor het indienen van verzoeken om bij de berekening van de huurtoeslag met een bijzondere situatie rekening te houden is verstreken.

3.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

4.    Niet in geschil is dat [appellant] de verzoeken om bij berekening van de huurtoeslag over 2012 en 2013 met een bijzondere situatie rekening te houden niet binnen de in artikel 2c, eerste lid, van het Besluit op de huurtoeslag (hierna: het Bht) bedoelde termijn heeft ingediend. Het geschil heeft betrekking op de vraag of [appellant] de termijnoverschrijding kan worden tegengeworpen en deze derhalve aan de afwijzing van het verzoek ten grondslag kon worden gelegd.

5.    De Afdeling stelt voorop dat in het Bht geen bepaling is opgenomen op grond waarvan van de in artikel 2c, eerste lid, vermelde termijn voor het indienen van een verzoek kan worden afgeweken. Afgezien daarvan is naar het oordeel van de Afdeling geen sprake van feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat er een rechtvaardiging is voor het te laat indienen van het verzoek. Daarbij is van belang dat [appellant] ter zitting heeft gesteld dat hij er eerst in 2015 van op de hoogte raakte dat het mogelijk was om te verzoeken om bij de berekening van de huurtoeslag bepaalde inkomensbestanddelen buiten beschouwing te laten. Dat hij hier niet eerder mee bekend is geworden komt voor zijn risico en vormt dan ook geen rechtvaardiging voor het te laat indienen van het verzoek. Dat [appellant] vanaf 2011 kampt met fysieke en psychische klachten als gevolg van een ernstig ongeval en hij in verband daarmee een intensief revalidatietraject volgt is evenmin voldoende om tot die conclusie te komen. Daarbij is van belang dat [appellant] er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat hij als gevolg van zijn medische klachten en het daarmee samenhangende revalidatietraject niet eerder de verzoeken heeft kunnen indienen. Dat zijn administratie geen prioriteit had, is gezien zijn situatie op zichzelf begrijpelijk, maar laat onverlet dat het zijn eigen verantwoordelijkheid was ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan de vereisten verbonden aan het indienen van een verzoek. Hij had daartoe, naar hij ter zitting heeft erkend, bijvoorbeeld een derde kunnen inschakelen.

    Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [appellant] heeft kunnen afwijzen vanwege het te laat indienen daarvan.

     Het betoog faalt.

Conclusie

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Wieland, griffier.

w.g. Pans    w.g. Wieland

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2017

502. BIJLAGE

Wet op de huurtoeslag

Artikel 1a

1. Op deze wet is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met uitzondering van artikel 6, eerste en tweede lid, van toepassing.

[…].

Artikel 7

1. Het recht op en de hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens partner en de medebewoners.

[…].

Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 1

1. Deze wet geldt voor inkomensafhankelijke regelingen.

[…].

Artikel 7

1. Ter bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling wordt het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, van de belanghebbende en dat van zijn partner in aanmerking genomen.

[…].

Artikel 8

1. Toetsingsinkomen is: het op het berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegeven.

[…].

Artikel 20

1. Indien na de toekenning van de tegemoetkoming uit een eerste vaststelling, eerste bepaling of wijziging van een inkomensgegeven of niet in Nederland belastbaar inkomen blijkt dat de tegemoetkoming tot een te hoog of te laag bedrag is toegekend, herziet de Belastingdienst/Toeslagen de tegemoetkoming met inachtneming van die eerste vaststelling, eerste bepaling of wijziging.

[…].

Besluit op de huurtoeslag

Artikel 2b

1. Op verzoek blijven bij de toepassing van artikel 7, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen voor zover het betreft het toekennen van een huurtoeslag, de navolgende bestanddelen van het toetsingsinkomen buiten beschouwing:

a. afkoopsommen van ouderdoms- of nabestaandenpensioen die in het berekeningsjaar niet meer bedragen dan het bedrag dat is opgenomen in artikel 66, eerste lid, van de Pensioenwet en artikel 78, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;

[…].

Artikel 2c

1. Een verzoek als bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, 2a, eerste lid, en 2b, eerste lid, kan worden gedaan tot het tijdstip dat de toekenning van de huurtoeslag over het desbetreffende berekeningsjaar onherroepelijk is geworden.

[…].