ECLI:NL:RVS:2017:1638 Raad van State , 21-06-2017 / 201606460/1/A3

Uitspraak

201606460/1/A3.

Datum uitspraak: 21 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Schiedam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 juli 2016 in zaak nr. 15/2903 in het geding tussen:

[appellante]

en

de burgemeester van Schiedam.

Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2014 heeft de burgemeester aan [appellante] een evenementenvergunning onder voorschriften verleend voor het organiseren van een [evenement] met striptease-act op 27 december 2014 in [bedrijf] te Schiedam.

Bij besluit van 25 juni 2015 heeft de burgemeester het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 14 juli 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 mei 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Veen en mr. A. Wubben-Korstjens, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [appellante] exploiteert [bedrijf] en is het niet eens met een aan de verleende evenementenvergunning verbonden voorschrift. De burgemeester heeft haar bezwaar tegen de evenementenvergunning niet-ontvankelijk verklaard omdat de bezwaartermijn volgens de burgemeester was overschreden.

2.    [appellante] heeft een aantal keer met ambtenaren van de gemeente gecorrespondeerd en getelefoneerd over de door haar aangevraagde evenementenvergunning en de voorgenomen daaraan te verbinden voorschriften. Zij betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat haar brief aan de burgemeester van 28 november 2014 niet kan worden aangemerkt als bezwaarschrift. Bij twijfel over het karakter van de brief had de burgemeester daarnaar volgens [appellante] bij haar moeten informeren.

2.1.    Op 3 oktober 2014 heeft [appellante] een evenementenvergunning aangevraagd voor het organiseren van een [evenement] op 24 oktober 2014 in [bedrijf]. Volgens het besluit van 26 november 2014 is haar telefonisch medegedeeld dat de burgemeester voornemens was de vergunning te verlenen maar daarbij voor te schrijven dat de dansers bij de striptease-act altijd een slip of string aan moeten hebben. Volgens de burgemeester is hij ervan uitgegaan dat [appellante] geen behoefte meer had aan de evenementenvergunning nadat op Facebook een bericht was geplaatst dat de [evenement] in [bedrijf] was geannuleerd. Nadat [appellante] op 31 oktober 2014 aan de burgemeester had laten weten dat zij het evenement alsnog wilde laten doorgaan op 27 december 2014, heeft de burgemeester in het besluit van 26 november 2014 aan [appellante] een vergunning verleend voor een [evenement] met striptease-act op 27 december 2014 en daaraan onder meer het hiervoor beschreven voorschrift verbonden.

2.2.    De burgemeester heeft toegelicht dat hij ervan is uitgegaan dat met het verlenen van de gevraagde vergunning en de motivering van de daaraan verbonden voorschriften, de zienswijze van [appellante] op de voorgenomen voorschriften voldoende was beantwoord. Volgens de burgemeester blijkt uit de tekst van haar brief van 28 november 2014 dat ook deze brief als zienswijze op het voorgenomen besluit was bedoeld en dat [appellante] op het moment van het schrijven van die brief niet bekend was met het besluit van de burgemeester van 26 november 2014.

    De Afdeling is van oordeel dat redelijkerwijs kan worden getwijfeld of de brief van 28 november 2014 moest worden aangemerkt als een bezwaarschrift tegen het besluit van 26 november 2014. Zo kan enerzijds uit de tekst van de brief worden afgeleid dat [appellante] op het moment van het schrijven daarvan nog niet bekend was met het besluit van 26 november 2014, zoals de burgemeester terecht stelt. Anderzijds is de brief bij de gemeente ingekomen nadat het besluit van 26 november 2014 was uitgegaan, bevat de brief inhoudelijke bezwaren tegen de aangekondigde aan de vergunning te verbinden voorschriften en wordt in de brief verwezen naar diverse argumenten die [appellante] naar voren heeft gebracht in een door haar als bezwaarschrift omschreven brief van 31 oktober 2014 om de burgemeester ertoe te bewegen de gevraagde vergunning te verlenen zonder voorschrift over de striptease-act. Uit de brief blijkt daarom duidelijk dat [appellante] zich niet kon verenigen met één van de voorschriften die waren verbonden aan de inmiddels verleende vergunning. Voor de verwachting dat het besluit van 26 november 2014 daarin verandering zou brengen, bestonden geen aanknopingspunten.

    Nu aanleiding bestond voor twijfel over het karakter van de brief van 28 november 2014 en het de burgemeester na de eerdere contacten duidelijk moest zijn dat [appellante] bezwaar had tegen één van de voorschriften, stond het de burgemeester vanuit een oogpunt van zorgvuldigheid niet vrij om ervan af te zien daarover uitsluitsel te verkrijgen bij [appellante] en zonder meer ervan uit te gaan dat die brief niet moest worden aangemerkt als bezwaarschrift tegen het besluit van 26 november 2014. Nu de burgemeester geen contact heeft opgenomen met [appellante] om de benodigde opheldering te verkrijgen, had hij [appellante] het voordeel van de twijfel moeten gunnen door haar brief van 28 november 2014 aan te merken als bezwaarschrift. De rechtbank heeft dit niet onderkend en heeft daardoor ten onrechte geoordeeld dat de brief van 28 november 2014 niet als bezwaarschrift moet worden beschouwd en dat de burgemeester het bezwaar van [appellante] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens een termijnoverschrijding.

2.3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 25 juni 2015 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 6:7 van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

    Het college dient met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen alsnog een beslissing op het bezwaarschrift van 28 november 2014 te nemen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

3.    De burgemeester dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 juli 2016 in zaak nr. 15/2903;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de burgemeester van Schiedam van 25 juni 2015, kenmerk 1.2015.0340.001/15UIT09403;

V.    bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI.    veroordeelt de burgemeester van Schiedam tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.980,00 (zegge: negentienhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat de burgemeester van Schiedam aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Steenbergen, griffier.

w.g. Sevenster

lid van de enkelvoudige kamer    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2017

528.