ECLI:NL:RVS:2017:1655 Raad van State , 21-06-2017 / 201606820/1/A3

Uitspraak

201606820/1/A3.

Datum uitspraak: 21 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 juli 2016 in zaak nr. 16/1692 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2015 heeft de minister de aanvraag van [appellant] tot het verlenen van een paspoort niet in behandeling genomen.

Bij besluit van 22 februari 2016 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 juli 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 mei 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door drs. F.W. King, en de minister, vertegenwoordigd door I.S. IJserinkhuijsen, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [appellant] is op 26 april 1972 geboren in Suriname als Nederlander. Op 25 november 1975 heeft hij op grond van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (hierna: TOS) de Surinaamse nationaliteit verkregen. Zijn ouders hebben nooit in Nederland woonplaats gehad. Volgens [appellant] heeft hij recht op een Nederlands paspoort omdat hij de Nederlandse nationaliteit heeft herkregen door daartoe binnen vijf jaar nadat hij meerderjarig is geworden bij de Nederlandse ambassade wilsverklaringen te hebben afgelegd. Artikel 6, vierde lid, van de TOS biedt volgens [appellant] die mogelijkheid.

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet met een beroep op artikel 6, vierde lid, van de TOS de Nederlandse nationaliteit heeft verworven. Hij voert aan op dat uit stempels in zijn paspoort blijkt dat hij zich op 29 mei 1991, 1 september 1992 en 19 mei 1994 heeft gemeld bij de Nederlandse ambassade in Paramaribo. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 28 september 1990, ECLI:NL:PHR:1990:AD1242, betoogt hij dat had moeten worden onderkend dat hij daarmee te kennen heeft gegeven het Nederlanderschap te willen verkrijgen.

2.1.    De rechtbank heeft onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, onder meer het arrest van 29 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3798 overwogen dat artikel 6, vierde lid, van de TOS niet berust op de gedachte dat een persoon die meerderjarig is geworden, enkel daardoor gelegenheid moet worden geboden alsnog te opteren voor de Nederlandse nationaliteit, maar slechts beoogt een correctiemogelijkheid te bieden voor die gevallen waarin de werking van de leden 1 en 2 ertoe leidt dat een minderjarige een andere nationaliteit verkrijgt dan hij/zij zou hebben verkregen indien hij/zij reeds meerderjarig zou zijn geweest op het tijdstip van inwerkingtreding van de TOS.

2.2.    Artikel 2, eerste lid, van de TOS luidt:

"Het verkrijgen van de Surinaamse nationaliteit ingevolge deze Overeenkomst heeft verlies van het Nederlanderschap tot gevolg."

    Artikel 3 luidt:

"De Surinaamse nationaliteit verkrijgen alle meerderjarige Nederlanders die in Suriname zijn geboren en op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst in de Republiek Suriname hetzij woonplaats, hetzij werkelijk verblijf hebben."

    Artikel 6, eerste lid luidt:

"Behoudens het in het tweede lid bepaalde volgen minderjarigen de nationaliteit van hun vader of, indien deze overleden of wettelijk onbekend is, die van hun moeder."

    Het tweede lid luidt:

"Minderjarigen volgen de nationaliteit die hun moeder ingevolge deze Overeenkomst verkrijgt of behoudt, indien en zolang zij met de moeder in een ander land verblijven dan de vader."

    Het vierde lid luidt, voor zover van belang:

"De in de voorgaande leden bedoelde minderjarigen verkrijgen de nationaliteit die zij, indien zij ten tijde van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst reeds meerderjarig waren geweest, zouden hebben gekregen dan wel hadden kunnen verkrijgen of behouden, door binnen vijf jaar na het bereiken van de meerderjarigheid hun wil daartoe te kennen te geven."

2.3.    De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, heeft geconcludeerd dat de correctiemogelijkheid die volgt uit artikel 6, vierde lid, van de TOS, niet van toepassing is op [appellant] omdat hij, gelet op zijn woonplaats in Suriname ten tijde van de inwerkingtreding van de TOS op 25 november 1975, de Nederlandse nationaliteit zou hebben verloren en de Surinaamse nationaliteit zou hebben verkregen, ook als hij op dat moment meerderjarig was geweest.

    Uit artikel 6, vierde lid, van de TOS vloeit niet voort dat bij toepassing van die bepaling kan worden uitgegaan van een andere woon- of verblijfplaats dan de werkelijke woon- of verblijfplaats ten tijde van de inwerkingtreding van de TOS. Daarom kan bij de uitleg van die bepaling niet worden uitgegaan van de veronderstelling dat [appellant] in Nederland zijn woonplaats zou hebben gehad als hij op 25 november 1975 meerderjarig zou zijn geweest. Gelet op het voorgaande kan het -op een dergelijke uitleg van die bepaling gebaseerde- betoog van [appellant] dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit nu hij bij de Nederlandse ambassade heeft verklaard te opteren voor de Nederlandse nationaliteit, niet leiden tot de conclusie dat de rechtbank heeft miskend dat [appellant] de Nederlandse nationaliteit heeft.

2.4.    Voor zover [appellant] ter zitting heeft verzocht om de zaak voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, gelet op de verwijzingsuitspraak van de Afdeling van 19 april 2017, nr. ECLI:NL:RVS:2017:1098, overweegt de Afdeling dat zij daartoe geen aanleiding ziet. Daarbij is van belang dat die uitspraak ziet op situaties waarin het Nederlanderschap van rechtswege verloren is gegaan op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, dan wel op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap. In het geval van [appellant] zijn deze bepalingen niet aan de orde, maar gaat het om de uitleg van artikel 6, vierde lid, van de TOS.

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Steenbergen, griffier.

w.g. Borman

lid van de enkelvoudige kamer    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2017

528.