ECLI:NL:RVS:2017:1668 Raad van State , 21-06-2017 / 201701914/3/A2

Uitspraak

201701914/3/A2.

Datum uitspraak: 21 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Beslissing op het verzoek van:

de Vrouwen Partij, gevestigd te Den Haag,

verzoekster,

om toepassing van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Procesverloop

Tijdens de openbare behandeling ter zitting van 16 maart 2017 van de zaak nr. 201701914/1/A2 heeft de Vrouwen Partij verzocht om wraking van mr. C.J. Borman (hierna: de staatsraad) als de voorzitter van de meervoudige kamer belast met de behandeling van de zaak.

De staatsraad heeft niet in de wraking berust.

De Afdeling heeft het wrakingsverzoek op 16 maart 2017 ter openbare zitting behandeld, waar de Vrouwen Partij is gehoord. De staatsraad heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord. De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

De Afdeling heeft de behandeling van het verzoek hervat op een nadere zitting op 1 juni 2017, waar de staatsraad en de Vrouwen Partij, met kennisgeving, niet zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Artikel 8:15 van de Awb luidt: "Op verzoek van een partij kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden."

2.    De Vrouwen Partij heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat de staatsraad ook een eerdere zaak van haar heeft behandeld en dat zij ook in die zaak heeft verzocht om wraking van de staatsraad.

2.1.    Vaststaat dat de staatsraad deel uitmaakte van de meervoudige kamer van de Afdeling die in een eerdere zaak van de Vrouwen Partij uitspraak heeft gedaan en dat de Vrouwen Partij in die procedure heeft verzocht de staatsraad te wraken. De Afdeling heeft dat wrakingsverzoek bij uitspraak van 10 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:368, afgewezen. De juistheid van de uitspraak ten gronde in die zaak kan in deze procedure niet aan de orde worden gesteld, omdat het instituut van wraking niet is bedoeld als rechtsmiddel tegen de uitspraak in de bodemzaak. Gelet daarop kunnen deze feiten en omstandigheden niet leiden tot het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. De omstandigheden dat de Afdeling het beroep in die zaak ongegrond heeft verklaard dan wel de uitspraak in die zaak naar de mening van een partij evident onjuist is, duiden niet op partijdigheid.

3.    De Vrouwen Partij heeft aan haar verzoek voorts, zakelijk weergegeven, ten grondslag gelegd dat de staatsraad door zijn handelen in de eerdere procedure, zowel ter zitting als later bij het vaststellen van het proces-verbaal van de zitting, de schijn van partijdigheid heeft gewekt.

3.1.    Hetgeen de Vrouwen Partij heeft aangevoerd, betreft de gang van zaken in de eerdere procedure bij de Afdeling. De Vrouwen Partij heeft dit in twee wrakingsverzoeken aan de orde gesteld. De Afdeling heeft deze verzoeken afgewezen (uitspraken van 10 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:368 en ECLI:NL:RVS:2017:369). De Afdeling verwijst kortheidshalve naar deze uitspraken. Uit het voorgaande volgt dat, anders dan de Vrouwen Partij betoogt, voor de staatsraad geen grond bestond om zich ambtshalve te verschonen.

4.    De Vrouwen Partij heeft aan haar verzoek daarnaast ten grondslag gelegd dat de staatsraad als voorzitter van de meervoudige kamer haar verzoek om de zitting in de bodemzaak eerder te laten plaatsvinden heeft afgewezen, omdat op die manier aan een oordeel over de (on)rechtmatigheid van het besluit in die zaak niet hoeft te worden toegekomen.

4.1.    In de bodemzaak zal worden getoetst of het besluit van 27 februari 2017, waarbij het centraal stembureau de onder nr. 295 geregistreerde aanduiding ‘Vrouwen Partij (VP)’ en, voor zover van toepassing, het bijbehorende logo heeft geschrapt uit het register, als bedoeld in artikel G 1 van de Kieswet, rechtmatig is. De Afdeling ziet in hetgeen de Vrouwen Partij heeft aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat aan een oordeel over de (on)rechtmatigheid van het besluit in die zaak niet zal worden toegekomen.

5.    De Vrouwen Partij heeft aan haar verzoek voorts ten grondslag gelegd dat de staatsraad niet onpartijdig zal zijn, omdat hij naar verwachting als getuige zal worden gehoord in een procedure op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering naar aanleiding van de aangifte die de Vrouwen Partij, naar zij heeft gesteld, heeft gedaan wegens valsheid in geschrift in het proces-verbaal van de zitting van 10 februari 2017.

5.1.    Reeds omdat een dergelijke procedure niet aanhangig is, bestaat geen aanleiding voor het aannemen van een objectief gerechtvaardigde vrees voor (schijn van) partijdigheid van de staatsraad.

6.    De Vrouwen Partij heeft aan haar verzoek ten slotte ten grondslag gelegd dat, indien de staatsraad niet reageert op de wrakingsgronden, dit ook als een wrakingsgrond dient te worden aangemerkt.

6.1.    In de wet, voormeld artikel 8:15 van de Awb en de daarop volgende artikelen, is voorzien in een wrakingsprocedure. Voor de gewraakte rechter, in dit geval de staatsraad, bestaat geen verplichting om zich voorafgaand of tijdens de zitting uit te laten. Dit houdt in dat het verzoek van de Vrouwen Partij om de staatsraad ter zitting te horen wordt afgewezen.

7.    Hetgeen voor het overige is aangevoerd, behoeft, gelet op het voorgaande, geen bespreking.

8.    Gelet op het voorgaande dient het verzoek te worden afgewezen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.

w.g. Hagen    w.g. Yildiz

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2017

594.