ECLI:NL:RVS:2017:1685 Raad van State , 28-06-2017 / 201605171/1/A1

Uitspraak

201605171/1/A1.

Datum uitspraak: 28 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Utrecht,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de rechtbank) van 20 juni 2016 in zaak nrs. 15/4733 en 15/4818 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2015 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd aan [appellant] om voor 15 juli 2015 aan te tonen dat de woningscheidende constructies van het appartementencomplex [locatie 1] te Utrecht voldoen aan de in de hem verleende omgevingsvergunning van 18 maart 2011 opgenomen voorwaarde betreffende de karakteristieke isolatie index voor luchtgeluid als bedoeld in artikel 3.18 en 3.19 van het Bouwbesluit.

Bij besluit van 4 augustus 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 juni 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 12 juli 2016 heeft het college besloten tot invordering van een dwangsom ter hoogte van € 3.000,00.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 mei 2017, waar het college, vertegenwoordigd door D.M.L. Krak, L.J. Wijburg en S.T. Olsthoorn, is verschenen. Voorts is de huidige eigenaar van het appartement [locatie 2], [belanghebbende A], vertegenwoordigd door [gemachtigde], ter zitting gehoord.

Overwegingen

1. Op 18 maart 2011 is aan [appellant] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwkundig splitsen van het pand aan de [locatie 1] in Utrecht (hierna: het pand) in vijf appartementen. Een voorwaarde daarbij was dat op kosten van de aanvrager moet worden aangetoond dat de woningscheidende constructies voldoen aan de gestelde eis betreffende de karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid en de isolatie-index voor contactgeluid als bedoeld in artikel 3.18 en 3.19 van het Bouwbesluit. Nadat was gebleken dat niet aan deze voorwaarde is voldaan, heeft het college bij besluit van 16 maart 2015, gehandhaafd bij besluit van 4 augustus 2015, [appellant] gelast om alsnog aan deze voorwaarde te voldoen, onder oplegging van een eenmalige dwangsom van € 3.000,00. Een zelfde last onder dwangsom is opgelegd aan [belanghebbende B], die na de kadastrale splitsing van het pand vier appartementsrechten voor de bovenverdiepingen op 5 juli 2011 in eigendom had verkregen. Die last is inmiddels onherroepelijk geworden.

Last onder dwangsom

2. Niet in geschil is dat niet is voldaan aan de aan de omgevingsvergunning van 18 maart 2011 verbonden voorwaarde wat betreft de geluidisolatie van de woningscheidende constructies.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college hem heeft kunnen aanwijzen als adressaat van de overtreden norm. Hij voert hiertoe aan dat ingevolge artikel 2.25 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) een verleende omgevingsvergunning overgaat op de rechtsopvolger. Volgens [appellant] is hij weliswaar nog eigenaar van het appartementsrecht op de begane grond, maar is [belanghebbende B] met de eigendomsoverdracht op 5 juli 2011 van de appartementsrechten voor de bovenverdiepingen in zoverre houder van de omgevingsvergunning geworden. Nu aan de vergunning eveneens de voorwaarde was verbonden dat de monumentale plafonds niet uit het zicht mogen verdwijnen, moesten de geluidsisolerende werkzaamheden worden uitgevoerd in de vloeren van de door [belanghebbende B] te realiseren appartementen. Daarmee heeft [appellant], zo betoogt hij, geen bemoeienis gehad. Gelet op het voorgaande moet in dit geval alleen [belanghebbende B] als vergunninghouder worden aangemerkt, aldus [appellant].

3.1. Artikel 2.25 van de Wabo luidt:

"1. Een omgevingsvergunning geldt voor eenieder die het project uitvoert waarop zij betrekking heeft. De vergunninghouder draagt ervoor zorg dat de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften worden nageleefd.

2. Indien een omgevingsvergunning zal gaan gelden voor een ander dan de aanvrager of de vergunninghouder, meldt de aanvrager, onderscheidenlijk de vergunninghouder dat ten minste een maand voordien aan het bevoegd gezag, onder vermelding van de bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gegevens. […]"

3.2. In de bij de Wabo behorende Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2006-2007, 30 844, blz. 113) staat bij voormeld artikel onder meer het volgende vermeld:

"De omgevingsvergunning is een zaaksgebonden vergunning. De «vergunninghouder» is dus niet degene aan wie de vergunning ooit is verleend, maar degene die het project uitvoert waarop de vergunning betrekking heeft. Met degene «die het project uitvoert» is bedoeld degene die voor die uitvoering verantwoordelijk is, dus de eigenaar of opdrachtgever. Die moet de vergunningvoorschriften naleven of zorgen dat ze door zijn werknemers of contractanten worden nageleefd. De «vergunninghouder», dat wil zeggen degene «die het project uitvoert», kan uit meer dan een (rechts)persoon bestaan. […]".

Uit deze passage volgt dat de tweede volzin van artikel 2.25, eerste lid, van de Wabo moet worden gelezen in samenhang met de eerste volzin van dat artikellid en dat het in de tweede volzin gebezigde begrip "vergunninghouder" in ruime zin moet worden opgevat. Onder dat begrip moet hier worden verstaan degene die het project uitvoert, dat wil zeggen degene die voor die uitvoering verantwoordelijk is en voor wie de omgevingsvergunning derhalve geldt (zie de uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1667).

3.3. Uit het dossier blijkt dat [appellant] één omgevingsvergunning heeft aangevraagd en verkregen voor het totaalproject van de bouwkundige splitsing van het pand. Als gevolg van de gedeeltelijke eigendomsoverdracht hangende de bouwkundige splitsing nadat aan [appellant] de omgevingsvergunning en voorts een splitsingsvergunning was verleend, zijn [appellant] en [belanghebbende B] beiden uitvoerenden van het totaalproject geworden. Zij zijn beiden vergunninghouder in de zin van artikel 2.25, eerste lid, van de Wabo en moeten er uit dien hoofde beiden zorg voor dragen dat de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften worden nageleefd.

Gelet op het voorgaande heeft het college, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, [appellant] terecht aangewezen als adressaat van de overtreden norm. Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college hem als overtreder van de voorschriften van de omgevingsvergunning heeft kunnen aanwijzen en dat hij het in zijn macht heeft om de overtreding te beëindigen. Hij voert hiertoe aan dat na de eigendomsoverdracht aan [belanghebbende B] geen sprake meer is geweest van een bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoering van de werkzaamheden in de verschillende appartementen. Voorts benadrukt [appellant] dat het, gelet op de vergunningsvoorwaarde ten aanzien van de plafonds, ook niet mogelijk was om vanuit zijn deel van het pand geluidisolatie in algemene zin aan te brengen in de verdiepingsvloer. [belanghebbende B] was alleen verantwoordelijk voor de geluidisolerende werkzaamheden en heeft deze werkzaamheden zelfstandig uitgevoerd, aldus [appellant].

4.1. Artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt:

"Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt."

Artikel 5:32, eerste lid, luidt:

"Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen."

4.2. Zoals onder 2. is overwogen, is niet in geschil dat niet wordt voldaan aan het in de omgevingsvergunning opgenomen voorschrift over de geluidisolatie. Voorts is onder 3.3. reeds overwogen dat [appellant] samen met [belanghebbende B] moet worden aangemerkt als uitvoerenden van het project waarvoor de omgevingsvergunning is verleend en dat zij daarom beiden verantwoordelijk zijn voor het naleven van alle aan die vergunning verbonden voorschriften. Dat [appellant] en [belanghebbende B] met elkaar zouden hebben afgesproken dat [belanghebbende B] de geluidisolerende werkzaamheden zou verrichten vanuit de vloeren van de bovenverdiepingen en dat [belanghebbende B] deze werkzaamheden zelfstandig heeft verricht, maakt dat niet anders. Het college heeft [appellant] daarom terecht aangemerkt als overtreder als bedoeld in artikel 5:1, tweede lid, van de Awb.

Voorts blijkt uit het rapport van Adviesbureau geluidbeheersing en akoestiek De Wolff (hierna: De Wolff) van 4 mei 2015 dat er geluidslekken zijn langs de voor- en achtergevel van het pand ter hoogte van de verdiepingsvloer tussen de begane grond en de eerste verdieping. Uit het advies van De Wolff van 9 juni 2015 blijkt dat deze geluidslekken vanuit het appartement van [appellant] kunnen worden gedicht door de spleet tussen de opgaande voorgevel en de eerste vloerbalk van de verdiepingsvloer dicht te zetten met absorberende materiaal met een poreuze structuur en dat bij de achtergevel het schuine vlak van de koof met geluidabsorberende platen moeten worden bekleed en de koof met achterzetbeglazing moet worden afgesloten. Het college heeft in het besluit van 4 augustus 2015 vermeld dat [appellant] volledig aan de last kan voldoen door het advies van De Wolff op te volgen. Ter zitting van de Afdeling is bovendien gebleken dat het dichten van de geluidslekken vanuit het appartement van [appellant] eenvoudiger en goedkoper is dan wanneer dit vanuit de daarboven gelegen appartementen zou gebeuren.

4.3. Nu [appellant] als overtreder van het niet naleven van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorwaarde betreffende de woningscheidende constructies als hiervoor onder 1 bedoeld is aan te merken en hij het daarnaast in zijn macht heeft om die overtreding te beëindigen, heeft het college op grond van artikel 5:32, eerste lid, van de Awb de last onder dwangsom aan [appellant] kunnen opleggen. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen. Het betoog faalt.

5. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn verzoek om het rapport van De Wolff van 4 mei 2015 af te keuren voor zover daarin ten onrechte de suggestie wordt gewekt dat er bij de bouwkundige splitsing van het pand werkzaamheden aan het plafond van het appartement op de begane grond hebben plaatsgevonden, faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat dit verzoek buiten de omvang van het geding valt en heeft dit daarom terecht niet besproken.

6. Het betoog van [appellant] dat het college onbehoorlijk heeft gehandeld door de poging te beëindigen om tot een minnelijke schikking te komen, kan niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Het college heeft in de schriftelijke uiteenzetting van 5 december 2016 vermeld dat het de onderhandelingen voor een minnelijke schikking heeft afgebroken omdat het niet akkoord kon gaan met de door [appellant] voor de schikking gestelde voorwaarden dat het college schriftelijk zou verklaren dat het de last onder dwangsom ten onrechte aan [appellant] heeft opgelegd en dat het college hem een proceskostenvergoeding zou toekennen. Dat [appellant] deze voorwaarden heeft gesteld, blijkt ook uit zijn brief aan het college van 22 januari 2016.

Voorop gesteld wordt dat het college geen bestuursrechtelijke verplichting heeft om in een zaak als deze minnelijk te schikken. Mede gelet op het eerder overwogene bestaat geen grond voor het oordeel dat het college door het beëindigen van de poging tot schikking in strijd met het vertrouwensbeginsel of anderszins onbehoorlijk heeft gehandeld.

Het betoog faalt.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Invorderingsbesluit

8. Gelet op artikel 5:39, eerste lid, van de Awb heeft het hoger beroep mede betrekking op het besluit van 12 juli 2016 waarbij het college heeft besloten tot invordering van een als gevolg van niet naleving van de last verbeurde dwangsom, voor zover [appellant] dit besluit betwist.

8.1. Aan het besluit tot invordering ligt de constatering van het college ten grondslag dat de begunstigingstermijn is verstreken en dat niet aan de last is voldaan. [appellant] betoogt, onder verwijzing naar hetgeen hij voor het overige in hoger beroep heeft aangevoerd, dat het college ten onrechte tot invordering is overgegaan. Nu het hoger beroep tegen het besluit van 4 augustus 2015 geen doel treft, faalt het betoog.

9. Het beroep tegen het besluit van 12 juli 2016 is ongegrond.

Proceskosten

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 12 juli 2016 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Dijken, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillissen w.g. Van Dijken

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2017

595.