ECLI:NL:RVS:2017:1688 Raad van State , 28-06-2017 / 201604192/1/A2

Uitspraak

201604192/1/A2.

Datum uitspraak: 28 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Belastingdienst/Toeslagen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 2 mei 2016 in zaak nr. 16/18 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 20 augustus 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag voor [wederpartij] over 2014 definitief berekend en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 30 november 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 mei 2016 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 30 november 2015 vernietigd en de Belastingdienst/Toeslagen opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst/Toeslagen hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting en een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2017, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, en [wederpartij], vergezeld door [gemachtigde], zijn verschenen.

Overwegingen

Wettelijk kader

1.    Het relevante wettelijk kader staat in de uitspraak van de rechtbank en is tevens opgenomen in een bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak in hoger beroep.

Inleiding

2.    [wederpartij] is een gescheiden vrouw en heeft twee kinderen, die zijn geboren in 2006 en 2008. Haar ouders hebben voor deze kleinkinderen bij hun geboorte geblokkeerde spaarrekeningen geopend waarop zij regelmatig bedragen storten. Het gaat in deze zaak om de jeugdspaarrekeningen bij de ASN Bank. Het spaargeld op deze rekeningen (hierna: het spaargeld) wordt voor de inkomstenbelasting in aanmerking genomen bij [wederpartij]. Hierdoor heeft zij in 2014 voordeel uit sparen en beleggen. Omdat de huurtoeslag mede afhankelijk is van het vermogen, heeft [wederpartij] door het spaargeld van haar kinderen geen aanspraak op huurtoeslag. De Belastingdienst/Toeslagen heeft de huurtoeslag over 2014 daarom vastgesteld op nihil en het reeds uitgekeerde voorschot van € 3.131,00 teruggevorderd.

De rechtsvraag

3.    In geschil is of het spaargeld van de kinderen van [wederpartij] met toepassing van de zogenoemde hardheidsclausule van artikel 9 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen voor de huurtoeslag buiten beschouwing dient te worden gelaten. Als die vraag bevestigend wordt beantwoord heeft [wederpartij], naar de Belastingdienst/Toeslagen ter zitting heeft bevestigd, over 2014 aanspraak op huurtoeslag.

De aangevallen uitspraak

4.    De rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord en overwogen dat [wederpartij] vanwege de voorwaarden die aan de betrokken spaarrekeningen van haar kinderen zijn verbonden in 2014 niet over het geld op die rekeningen kon beschikken. Nu uit de stukken blijkt dat [wederpartij] de Belastingdienst/Toeslagen ook heeft verzocht om artikel 7, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) in ieder geval buiten toepassing te laten ten aanzien van de spaarrekening van één van haar kinderen, is de rechtbank van oordeel dat de dienst dit had moeten doen. De rechtbank heeft daarbij aannemelijk geacht dat het in dit geval niet gaat om een keuze van [wederpartij] om gelden uit haar eigen vermogen vast te zetten op spaarrekeningen op naam van haar kinderen maar om een keuze van haar ouders om gelden die behoorden tot hun vermogen op de spaarrekeningen van hun kleinkinderen vast te zetten en dat dit aldus geld betreft dat buiten het vermogen van [wederpartij] is omgegaan en gebleven.

Het hoger beroep

5.    De Belastingdienst/Toeslagen betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot dit oordeel is gekomen en daarbij de aard van de beperking heeft miskend. De hardheidsclausule is bedoeld voor gevallen waarbij aan de kinderen vermogen toekomt, bijvoorbeeld uit een erfenis of een (letsel)schadevergoeding, waarover zij zelf en hun ouders niet kunnen beschikken. Hierbij is het einde aan de beperking doorgaans gekoppeld aan een gebeurtenis als het bereiken van de leeftijd van 18 jaar. Deze beperking kan alleen met tussenkomst van een rechter ongedaan worden gemaakt. In dit geval is er echter geen sprake van een externe beperking van de beschikbaarheid, zoals een BEM-clausule (Belegging Erfenis en andere gelden Minderjarigen), maar van een bewuste keuze van [wederpartij] om het vermogen voor een bepaalde tijd vast te zetten op een jeugdspaarrekening. Dit is een zelfopgelegde beperking die is uitgewerkt in een civielrechtelijke overeenkomst met de bank en ook weer ongedaan kan worden gemaakt. De gevolgen van deze keuze komen voor rekening van [wederpartij], aldus de Belastingdienst/Toeslagen.

Het oordeel van de Afdeling

6.    De tekst van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Uitvoeringsregeling Awir sluit niet uit dat een geblokkeerde spaarrekening daaronder valt. In de toelichting bij artikel 9 (Stcrt. 27 december 2005, nr. 251, p. 31) staat voorts het volgende:

"Artikel 9, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, bevat de bepaling dat bij de vermogenstoets bezittingen buiten aanmerking kunnen blijven die zijn opgekomen van de zijde van een minderjarig kind, en waarover noch de belanghebbende, noch diens partner, noch een medebewoner kan beschikken. Ook het minderjarige kind moet dus niet kunnen beschikken over die bezittingen. Deze bezittingen kunnen bijvoorbeeld staan op een bankrekening waarop een clausule rust dat de ouders er geen beschikking over hebben (bijvoorbeeld tot het moment dat het kind meerderjarig is). Ook kan het gaan om vermogen van minderjarige kinderen waarbij door een rechter goedgekeurd moet worden of van de bezittingen van dat kind kosten mogen worden betaald, de zogeheten BEM-clausules."

Hieruit blijkt uitdrukkelijk dat de regelgever de toepassing van dit artikelonderdeel niet heeft willen beperken tot vermogens waarop een BEM-clausule rust en dat ook geblokkeerde spaarrekeningen hieronder kunnen vallen.

7.    De Afdeling stelt vast dat, gelet op de voor de in geding zijnde jeugdspaarrekening geldende productvoorwaarden, het niet mogelijk is - ook niet tegen betaling van een boete - om bij leven van het betrokken kind voor diens achttiende verjaardag ter besteding geld op te nemen van deze rekening, anders dan bij aantoonbaar gebruik voor studiekosten. Dit wordt door de Belastingdienst/Toeslagen ook niet betwist. Gelet op de productvoorwaarden is het spaargeld geblokkeerd en vormt het een bezitting die valt onder de hardheidsclausule van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Uitvoeringsregeling Awir. Anders dan de Belastingdienst/Toeslagen onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1355 heeft betoogd is hier geen sprake van een zelfopgelegde beperking die ertoe kan leiden dat een huurder een aanspraak op huurtoeslag kan creëren door vermogen op naam van de kinderen voor langere tijd vast te zetten. Niet [wederpartij], maar de ouders van [wederpartij] hebben ervoor gekozen om voor elk van hun kleinkinderen een jeugdspaarrekening te openen en deze met hun geld te voeden tot de achttiende verjaardag van de kleinkinderen. Dit betreft aldus geld dat buiten het vermogen van [wederpartij] is omgegaan en gebleven en dat is opgekomen van de zijde van haar minderjarige kinderen. Daaraan doet niet af dat [wederpartij] voor het openen van de jeugdspaarrekening heeft getekend. De rekeningen zijn geopend door de grootouders ten behoeve van en op naam van de kinderen van [wederpartij], waarbij zij als wettelijk vertegenwoordiger moest tekenen.

Conclusie

8.    Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank terecht en op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat het spaargeld van de kinderen van [wederpartij] in dit geval met toepassing van de hardheidsclausule voor de huurtoeslag buiten beschouwing kan worden gelaten. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9.    De rechtbank heeft de Belastingdienst/Toeslagen opgedragen om opnieuw op het bezwaar te beslissen. De dienst heeft hieraan nog geen uitvoering gegeven en moet dit alsnog doen, met inachtneming van het bepaalde in de uitspraak van de rechtbank en hetgeen de Afdeling heeft overwogen. Nu de uitspraak in hoger beroep er aldus toe strekt dat het bestuursorgaan een nieuw besluit neemt, ziet de Afdeling met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

10.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

11.    Ingevolge artikel 8:109, tweede lid, van de Awb wordt, indien het bestuursorgaan hoger beroep heeft ingesteld en de aangevallen uitspraak in stand blijft, van het bestuursorgaan een griffierecht geheven dat gelijk is aan het in het eerste lid, onderdeel c, genoemde bedrag. Van de Belastingdienst/Toeslagen zal dus alsnog griffierecht worden geheven, naar het bedrag dat gold ten tijde van het instellen van het hoger beroep.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

III.    bepaalt dat van de Belastingdienst/Toeslagen een griffierecht van € 503,00 (zegge: vijfhonderddrie euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Dallinga

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2017

18. BIJLAGE

De voor dit geschil relevante bepalingen van de Wet op de huurtoeslag luiden als volgt:

Artikel 1a

1. Op deze wet is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met uitzondering van artikel 6, eerste en tweede lid, van toepassing.

2. (…).

3. (…).

Artikel 7

1. Het recht op en de hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens partner en de medebewoners.

2. (…).

De voor dit geschil relevante bepalingen van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen luiden als volgt:

Artikel 7

1. (…).

2. (…).

3. Indien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen, bestaat geen aanspraak op een tegemoetkoming, indien bij de belanghebbende of, indien de belanghebbende het gehele berekeningsjaar dezelfde partner heeft, zijn partner over het berekeningsjaar voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in aanmerking wordt genomen, dan wel in aanmerking zou worden genomen indien geen rekening wordt gehouden met de vrijstelling, bedoeld in artikel 5.13 van die wet.

4. t/m 7. (…).

Artikel 47

Onze Minister is bevoegd in overeenstemming met Onze Ministers die het aangaat bij ministeriële regeling voor groepen van gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard, welke zich bij de toepassing van artikel 7, derde of vierde lid, artikel 2a, eerste lid, van de Wet op de zorgtoeslag of artikel 1, vierde lid, van de Wet op het kindgebonden budget mochten voordoen.

De hier bedoelde ministeriële regeling is de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.

Artikel 9 daarvan, met als opschrift "Hardheidsclausule", luidt als volgt:

1. Artikel 7, derde en vierde lid, van de wet blijft op verzoek van de belanghebbende buiten toepassing ten aanzien van degene bij wie over het berekeningsjaar geen voordeel uit sparen en beleggen in aanmerking zou worden genomen indien de rendementsgrondslag als bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zou worden verminderd met:

a. bezittingen die zijn opgekomen:

1°. van de zijde van een pleegkind;

2°. van de zijde van een minderjarig kind en waarover zowel de belanghebbende, diens partner, een eventuele medebewoner, alsook het kind niet kan beschikken;

b. een bedrag ter grootte van de navolgende eenmalige uitkeringen die in het berekeningsjaar of in enig eerder jaar zijn ontvangen:

(…).

2. (…).

3. Het in het eerste lid bedoelde verzoek kan worden gedaan tot het tijdstip dat de toekenning van de tegemoetkoming over het desbetreffende berekeningsjaar onherroepelijk is geworden.

4. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt geacht mede te zijn gedaan voor op het berekeningsjaar volgende berekeningsjaren.

5. (…).