ECLI:NL:RVS:2017:1700 Raad van State , 28-06-2017 / 201606526/1/A2

Uitspraak

201606526/1/A2.

Datum uitspraak: 28 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 juli 2016 in zaak nr. 15/7357 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Barneveld.

Procesverloop

Bij besluit van 30 april 2015 heeft het college het verzoek van [appellante] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 29 oktober 2015 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 juli 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juni 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. M.L.M. Frantzen, advocaat te Ouderkerk aan de Amstel, en het college, vertegenwoordigd door mr. D.L. de Vries, zijn verschenen.

Overwegingen

Het geschil

1.    [appellante] was van 9 februari 1999 tot 24 december 2013 eigenaresse van het perceel met woning aan de [locatie 1] te Barneveld (hierna: het perceel).

    Op 28 mei 2014 heeft zij het college verzocht om een tegemoetkoming in planschade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van een ten behoeve van [vergunninghouder] genomen projectbesluit van 28 juni 2011 en de daarbij verleende bouwvergunning (hierna: de besluiten) die op 21 december 2011 in werking zijn getreden en op 6 november 2013 onherroepelijk zijn geworden. Met de besluiten, die de bouw van twee varkensstallen van ieder circa 4.184 m2 met een goothoogte van 2,8 meter en een nokhoogte van 6,3 meter mogelijk maken, is verplaatsing van het agrarisch bedrijf van [vergunninghouder] aan de [locatie 2] te Barneveld naar de gronden die ten zuiden en zuidoosten grenzen aan het perceel (hierna: de gronden) mogelijk gemaakt.

2.    Niet in geschil is dat de planologische wijziging voor [appellante] heeft geleid tot een nadeliger positie. In geschil is of de als gevolg van de planologische wijziging mogelijk gemaakte ontwikkeling voor [appellante] ten tijde van de aankoop van het perceel op 17 december 1998 voorzienbaar was.

3.    Het college heeft zich, in navolging van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ), die het om advies had gevraagd over het op de aanvraag te nemen besluit, op het standpunt gesteld dat de planologische verslechtering voorzienbaar was op basis van de door de gemeenteraad op 24 februari 1998 vastgestelde ‘Ontwikkelingsschets buitengebied gemeente Barneveld’ (hierna: de Ontwikkelingsschets).

    De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich terecht op dit standpunt heeft gesteld en de aanvraag van [appellante] terecht heeft afgewezen.

Het hoger beroep

4.    [appellante] kan zich met dit oordeel niet verenigen. Zij voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Ontwikkelingsschets een beleidsvoornemen bevat dat in agrarische ontwikkelingsgebieden de vestiging van geheel nieuwe veehouderijen tot de mogelijkheden zou behoren. In de Ontwikkelingsschets was juist als beleidsvoornemen de hoofdregel geformuleerd dat nieuwvestiging in de zin van het creëren van een nieuw bouwperceel niet mogelijk was. Bovendien was op basis van de Ontwikkelingsschets niet voldoende concreet bepaald en bepaalbaar waar en hoe onder allerlei strenge voorwaarden een wijzigingsbevoegdheid zou worden opgenomen, nu een zeer groot deel van het buitengebied van Barneveld onder de agrarische ontwikkelingsgebieden viel, aldus [appellante].

    Voorts voert [appellante] aan dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan alle feiten en omstandigheden die op het moment dat zij het perceel kocht, duidden op de reële verwachting en de aanzienlijke kans dat de planologische situatie juist in gunstige zin zou veranderen. [appellante] wijst in dit kader op de omstandigheid dat de agrarische bestemming op haar perceel na de aankoop is gewijzigd in een woonbestemming, dat de gronden niet in gebruik waren bij een ter plekke gevestigd agrarisch bedrijf en zouden worden verkocht aan het Bureau Beheer Landbouwgronden, en dat de gronden zich niet leenden voor de bouw en ontsluiting van een nieuw bouwvlak met varkensmesterij, zodat buitenplanse medewerking niet in de lijn der verwachting lag.

4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582) is de planschade, indien ten tijde van de aankoop van een onroerende zaak voor een redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen, voorzienbaar en dient deze voor rekening van de koper te worden gelaten. In dat geval wordt de koper geacht de mogelijkheid van verwezenlijking van de negatieve ontwikkeling ten tijde van de aankoop te hebben aanvaard. Met het oog op de beoordeling van de voorzienbaarheid dient het bestuursorgaan een vergelijking te maken tussen de ruimtelijke gevolgen van het planologische regime waarvan gesteld wordt dat het planschade heeft veroorzaakt en de ruimtelijke gevolgen van de voor de aanvrager meest ongunstige uitwerking van de in het beleidsvoornemen bedoelde ontwikkelingsmogelijkheden.

    Om voorzienbaarheid te kunnen aannemen, is voldoende dat er een concreet beleidsvoornemen is, dat openbaar is gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft. Voor het aannemen van voorzienbaarheid is voorts niet vereist dat, op het tijdstip van investering, verwezenlijking van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel volledig en onherroepelijk vaststaat, dat deze maatregel in detail is uitgewerkt of dat de omvang van de nadelige gevolgen met nauwkeurigheid kan worden bepaald.

4.2.    De Ontwikkelingsschets is op 24 februari 1998, en dus vóórdat [appellante] het perceel op 17 december 1998 kocht, door de raad vastgesteld. In de Ontwikkelingsschets is uiteengezet dat in de Agrarische ontwikkelingsgebieden een verdere ontwikkeling van de landbouw voorop staat. Voorts is uiteengezet dat dit concreet onder meer betekent dat nieuwvestiging in de zin van het creëren van een nieuw bouwperceel ten gevolge van verplaatsing van rechten in beginsel niet mogelijk is, maar dat de gemeente desondanks, waar dit uit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar is, in beperkte mate nog nieuwvestiging mogelijk wil maken, met name om bepaalde ontwikkelingen niet in de weg te staan. In het nieuw vast te stellen bestemmingsplan zal een wijzigingsbevoegdheid worden opgenomen om het vestigen van een nieuw bouwperceel ten behoeve van het vestigen van een volwaardig agrarisch bedrijf mogelijk te maken, aldus de Ontwikkelingsschets.

    Uit de kaart bij de Ontwikkelingsschets volgt dat het perceel van [appellante] en de gronden in een Agrarisch ontwikkelingsgebied zijn gelegen.

4.3.    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college zich, in navolging van de SAOZ, terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit de Ontwikkelingsschets voldoende concreet naar voren komt dat in Agrarische ontwikkelingsgebieden, waar het perceel en de gronden toe behoren, verdere ontwikkeling van de landbouw mogelijk zal blijven en dat in dat kader ook de vestiging van nieuwe veehouderijen door middel van verplaatsing tot de mogelijkheden behoort. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de planologische ontwikkeling voor [appellante] voorzienbaar was.

    Dat vestiging van een nieuwe veehouderij, naar [appellante] stelt, niet de hoofdregel, maar de uitzondering betreft, en het aangegeven Agrarische ontwikkelingsgebied groot was, zodat daaruit niet kon worden afgeleid waar die veehouderij zou komen, doet, anders dan [appellante] stelt, aan die voorzienbaarheid niet af. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie voormelde uitspraak van 28 september 2016) komt bij het bepalen van de voorzienbaarheid van de schade geen betekenis toe aan de grootte van de ten tijde van de beslissing tot investering bestaande kans dat de schade niet zou ontstaan. Dat, naar [appellante] ter zitting heeft aangevoerd, [vergunninghouder] niet voornemens zou zijn zijn bedrijf van de [locatie 2] naar de gronden te verplaatsen maar op de gronden een nieuw bedrijf te vestigen, zodat niet aan de in de Ontwikkelingsschets neergelegde voorwaarde is voldaan en voorzienbaarheid ook daarom niet kan worden tegengeworpen, kan evenmin worden gevolgd. Niet alleen heeft het college onweersproken gesteld dat in de aan [vergunninghouder] verleende milieuvergunning voorwaarden zijn gesteld die zien op de verplaatsing van zijn bedrijf, maar voorts doet dit betoog er niet aan af dat de ruimtelijke gevolgen van de met de besluiten mogelijk gemaakte ontwikkeling voor [appellante] voorzienbaar waren. Voorts kan de stelling van [appellante] dat de rechtbank er aan voorbij is gegaan dat er ten tijde van de aankoop juist aanwijzingen waren dat de planologische situatie op haar eigen perceel in voor haar gunstige zin zou wijzigen niet worden gevolgd, nu het bij indirecte planschade, hetgeen hier aan de orde is, gaat om een antwoord op de vraag of de uiteindelijk nadelige planologische ontwikkeling op gronden van derden voorzienbaar was. De omstandigheid ten slotte dat de gronden ten tijde van de aankoop qua ontsluiting niet geschikt zouden zijn voor een varkenshouderij is, wat daar verder ook van zij, voor de vraag of de planschade voorzienbaar was evenmin relevant. Niet alleen is in dat kader van belang dat, zoals hiervoor onder 4.1 uiteen is gezet, de wijze waarop een bepaalde ontwikkeling wordt gerealiseerd nog niet in detail hoeft te zijn vastgelegd om voorzienbaarheid te kunnen aannemen, maar voorts staat de omstandigheid dat iets feitelijk (nog) niet gerealiseerd kan worden er niet aan de in de weg dat dat planologisch wel mogelijk wordt gemaakt.

    Het betoog faalt.     

5.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat een projectbesluit en de wijzigingsbevoegdheid op één lijn zijn te stellen. In dat kader voert zij aan dat de ingediende bouwaanvraag niet voldeed aan de voorwaarden voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid.

5.1.    Dit betoog faalt. Niet alleen vloeide, zoals het college heeft gesteld, de keuze voor een projectbesluit niet voort uit het feit dat het bouwplan niet paste binnen de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid, maar kwam deze keuze voort uit de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening en de hierin opgenomen mogelijkheid om tegelijk een bouwvergunning te verlenen, maar voorts doet die keuze niet af aan het ten deze, gelet op het in 4.1 weergegeven kader, doorslaggevende feit dat, zoals hiervoor onder 4.3 is overwogen, de ruimtelijke gevolgen van de met de besluiten mogelijk gemaakte ontwikkeling op basis van de Ontwikkelingsschets voorzienbaar waren.

Conclusie

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier.

w.g. Polak    w.g. Ouwehand

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2017

752.