ECLI:NL:RVS:2017:1703 Raad van State , 28-06-2017 / 201603922/1/A3

Uitspraak

201603922/1/A3.

Datum uitspraak: 28 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    de Stichting de Faunabescherming, gevestigd te Amstelveen,

2.    het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 29 april 2016 in zaak nr. 15/4316 in het geding tussen:

de stichting

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2015 heeft het college aan de Stichting Faunabeheereenheid Noord-Holland (hierna: de Faunabeheereenheid) ontheffing verleend om van 3 april 2015 tot 3 maart 2020 in de periode van 1 maart tot 1 november grauwe ganzen, brandganzen en verwilderde gedomesticeerde en/of hybride ganzen in al hun verschijningsvormen af te schieten met gebruik van middelen geweer, hond en lokvogels en om het geweer weekrond en van een uur voor zonsopkomst tot een uur na zonsondergang te mogen inzetten bij afschot van de grauwe gans, brandgans, Canadese gans en verwilderde gedomesticeerde en/of hybride ganzen in al hun verschijningsvormen.

Bij besluit van 25 augustus 2015 heeft het college het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 april 2016 heeft de rechtbank het door de stichting daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 25 augustus 2015 vernietigd, voor zover ontheffing is verleend voor het gebruik van het geweer vanaf een uur voor zonsopkomst tot een uur na zonsondergang. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de stichting en het college hoger beroep ingesteld.

De stichting en het college hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 april 2017, waar de stichting, vertegenwoordigd door A.P. de Jong, bijgestaan door mr. B.N. Kloostra, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Blondelle-Zuidema, M.A. Schouten en mr. H.A. Schoordijk, bijgestaan door mr. E.C.M. Schippers en mr. M. Heerings, beiden advocaat te Den Haag, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de Faunabeheereenheid, vertegenwoordigd door mr. T. van der Weijde, rechtsbijstandsverlener te Amsterdam, gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden en de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) ingetrokken. Nu het besluit op bezwaar voor die datum is genomen, is de Ffw op dit geding nog van toepassing. De relevante bepalingen van de Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB 2010 L 20) (hierna: de Vogelrichtlijn), van de Ffw, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en van het Besluit beheer en schadebestrijding dieren (hierna: het Bbsd) zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

2.    Bij het besluit van 2 april 2015 heeft het college op grond van artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ffw ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen ontheffing verleend van artikel 9 van de Ffw om grauwe ganzen, brandganzen en verwilderde gedomesticeerde en/of hybride ganzen in al hun verschijningsvormen af te schieten met gebruik van middelen geweer, hond en lokvogels. Volgens het college heeft de Faunabeheereenheid in haar Ganzenbeheerplan Noord-Holland 2015-2020 (hierna: het Ganzenbeheerplan) aangetoond dat er in haar hele werkgebied sprake is van belangrijke schade, dat die schade in de zomerperiode voornamelijk wordt veroorzaakt door de grauwe gans en de brandgans en dat beperking van de populatie noodzakelijk is om de schade te beperken. Voor de Canadese gans geldt een landelijke vrijstelling. Het college heeft verder in acht genomen dat uit het Ganzenbeheerplan volgt dat waar mogelijk minder ingrijpende maatregelen worden ingezet en deze effectief kunnen zijn, doch opzichzelfstaand onvoldoende effect hebben om schade aan gewassen op de gewenste schaal te beperken. Volgens het college draagt afschot in samenhang met het overige pakket aan maatregelen bij aan populatiereductie. De verleende ontheffingen gelden tot een ondergrens is bereikt van 15.000 grauwe ganzen waaronder 3.900 broedparen, 7.300 brandganzen waaronder 1.800 broedparen en 1.600 Canadese ganzen waaronder 400 broedparen. Totdat die streefgetallen zijn bereikt, behoeft volgens het college met zekerheid niet te worden gevreesd voor een effect op de gunstige staat van instandhouding. De streefgetallen voldoen ruimschoots aan de eisen van een landelijke minimum populatie.

    Het college heeft voorts ontheffing verleend van artikel 7, negende lid, onder a, van het Bbsd voor het gebruik van het geweer vanaf een uur voor zonsopgang tot een uur na zonsondergang. In de schemering zijn er een groot aantal vliegbewegingen. Deze ontheffing is dus noodzakelijk om de maatregelen in te kunnen zetten wanneer dat leidt tot de grootste afschotaantallen.

De uitspraak van de rechtbank

3.    De rechtbank heeft overwogen dat het college uit de schadehistorie en het verloop daarvan heeft kunnen concluderen dat in de gehele provincie Noord-Holland een concrete dreiging van belangrijke schade aan gewassen bestaat. Dat in sommige wildbeheereenheden geen sprake is van schade aan zowel kwetsbare gewassen als overjarig grasland, kan niet leiden tot een ander oordeel, nu niet gespecificeerd hoeft te worden ten aanzien van welk gewas belangrijke schade optreedt. Volgens de rechtbank is het aannemelijk dat er geen andere bevredigende oplossing is om de schade te beperken en dat de inzet van meerdere maatregelen en middelen tegelijkertijd en in onderlinge samenhang effectief moet worden geacht te zijn. Verder heeft de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 4 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV0107, overwogen dat uit artikel 9, tweede lid, van de Vogelrichtlijn volgt dat een bestuursorgaan alleen ontheffing kan verlenen voor doden onder bij wettelijk voorschrift vastgestelde voorwaarden en omstandigheden. Omdat de mogelijkheid om het geweer te gebruiken tussen zonsondergang en zonsopgang niet bij wettelijk voorschrift is vastgelegd, is het verlenen van ontheffing daarvoor in strijd met de Vogelrichtlijn. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat het college niet in strijd met provinciaal beleid heeft gehandeld door ontheffing te verlenen voor de periode van 1 maart tot 1 november.

Het hoger beroep van de stichting

4.    De stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college uit de schadehistorie en het verloop daarvan heeft kunnen concluderen dat in de gehele provincie Noord-Holland een concrete dreiging van belangrijke schade aan gewassen bestaat. Daartoe voert zij aan dat in het werkgebied van sommige wildbeheereenheden geen sprake is van schade. Ook wijst de stichting op het arrest WWF Italia e.a. van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof van Justitie) waaruit volgens haar blijkt dat elke ingreep die beschermde soorten raakt slechts is toegestaan op basis van besluiten die steunen op een nauwkeurige en treffende motivering. Zo moet worden gespecificeerd aan welke gewassen belangrijke schade is aangericht en per wildbeheereenheid door welke ganzensoort schade is aangericht, aldus de stichting.

4.1.    Artikel 68 van de Ffw is de implementatie van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, derde gedachtestreepje, van de Vogelrichtlijn. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 februari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH1843), is niet gebleken dat de implementatie niet op een juiste wijze is geschied. Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 24 januari 2012 in zaak C-282/10 (ECLI:EU:C:2012:33), Dominguez, laat dit evenwel onverlet dat artikel 68 van de Ffw moet worden uitgelegd en toegepast in het licht van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, derde gedachtestreepje, van de Vogelrichtlijn.

    Gelet op het arrest van het Hof van 14 juni 2007 in zaak C-342/05 (ECLI:EU:C:2007:341), Commissie/Finland, waarin het verwijst naar zijn arrest van 8 juni 2006 in zaak C-60/05 (ECLI:EU:C:2006:378), WWF Italia e.a., moeten de lidstaten, aangezien het hier gaat om een uitzonderingsregeling die strikt moet worden uitgelegd en volgens welke de autoriteit die het besluit neemt voor elke afwijking moet bewijzen dat aan de gestelde voorwaarden is voldaan, waarborgen dat elke ingreep die de beschermde soorten raakt slechts wordt toegestaan op basis van besluiten die steunen op een nauwkeurige en treffende motivering die verwijst naar de in artikel 9, eerste en tweede lid, van de Vogelrichtlijn opgesomde redenen, voorwaarden en vereisten.

    In het arrest van 7 maart 1996 in zaak C-118/94 (ECLI:EU:C:1996:86), Associazione Italiana per il WWF e.a., heeft het Hof overwogen dat de afwijking van de in de Vogelrichtlijn neergelegde verbodsbepalingen moet voldoen aan nauwkeurig omschreven vormvoorwaarden, die tot doel hebben de afwijkingen tot het strikt noodzakelijke te beperken. Ofschoon artikel 9 van de Vogelrichtlijn een ruime afwijking van de algemene beschermingsregeling toestaat, moet het niettemin een concrete en gerichte toepassing vinden teneinde tegemoet te komen aan nauwkeurige vereisten en specifieke situaties.

4.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9067), is aan het in artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ffw gestelde vereiste van belangrijke schade voldaan, indien is gebleken van een concrete dreiging van belangrijke schade.

    In bijlage 4 van het Ganzenbeheerplan is een kaart opgenomen met de wildbeheereenheden of delen van wildbeheereenheden die zijn gelegen in de provincie Noord-Holland. Daarbij zijn in een tabel de namen en de bruto oppervlakte van de wildbeheereenheden vermeld. Op pagina 31 van het Ganzenbeheerplan is een tabel opgenomen met per jaar per wildbeheereenheid in de jaren 2008 tot en met 2013 de door ganzen aangerichte schade die is uitgekeerd. Indien de tabel in bijlage 4 wordt vergeleken met de tabel op pagina 31, blijkt dat in 22 van de 27 wildbeheereenheden in Noord-Holland in elk van de jaren 2008 tot en met 2013 belangrijke schade is uitgekeerd en in drie wildbeheereenheden in de meeste van die jaren belangrijke schade is uitgekeerd. Slechts in de twee wildbeheereenheden met de kleinste bruto oppervlakte is geen schade uitgekeerd in die jaren. De totale door ganzen aangerichte uitgekeerde schade in Noord-Holland is opgelopen van ongeveer € 1,2 miljoen in 2008 tot ongeveer € 3,5 miljoen in 2013. Op pagina 34 van het Ganzenbeheerplan is een tabel opgenomen waarin de uitgekeerde schade in Noord-Holland per jaar voor zes ganzensoorten in de jaren 2009 tot en met 2013 is opgenomen. Daaruit blijkt dat het uitgekeerde bedrag voor schade veroorzaakt door de grauwe gans is opgelopen van ongeveer € 1,3 miljoen in 2009 tot ongeveer € 2,8 miljoen in 2013 en voor schade veroorzaakt door de brandgans van € 30.492 in 2009 tot € 247.575 in 2013. Uit de tabel op pagina 24 blijkt dat grauwe gans en de brandgans de in Noord-Holland meest voorkomende ganzensoorten zijn. Ter zitting is door het college onweersproken gesteld dat indien slechts voor een aantal wildbeheereenheden ontheffing wordt verleend, de kans groot is dat ganzen zich zullen verplaatsen naar wildbeheereenheden waarvoor geen ontheffing geldt. Op pagina 56 van het Ganzenbeheerplan is toegelicht dat ganzen een actieradius van 30 tot 50 kilometer rond hun broedplaats hebben. Op pagina 26 is een kaart opgenomen waaruit blijkt dat ganzen niet slechts in één deel van de provincie maar nagenoeg in de hele provincie voorkomen. Het college behoefde daarom niet per wildbeheereenheid te specificeren door welke ganzensoort schade is aangericht. In een op pagina 30 van het Ganzenbeheerplan opgenomen tabel is voor verschillende gewassoorten aangeduid hoeveel schade zich bij die soorten heeft voorgedaan. Een nadere specificering van de gewassen waaraan belangrijke schade is aangericht behoefde in dit geval evenmin te worden gegeven. De door de stichting genoemde uitspraak van de Afdeling van 5 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2607, kan haar niet baten, reeds omdat in die zaak tegen het oordeel van de rechtbank dat voor een deel van de wildbeheereenheden onvoldoende is gemotiveerd dat zich een concrete dreiging van belangrijke schade aan gewassen voordoet, geen hoger beroep was ingesteld, zodat de Afdeling van dat oordeel uit diende te gaan.

    Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college heeft mogen concluderen dat zich in de gehele provincie Noord-Holland een concrete dreiging van belangrijke schade aan gewassen voordoet.

    Het betoog faalt.

5.    De stichting betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het aannemelijk is dat er geen andere bevredigende oplossing is om de schade te beperken en dat de inzet van meerdere maatregelen en middelen tegelijkertijd en in onderlinge samenhang effectief moet worden geacht te zijn. Daartoe voert zij aan dat in mei 2011 een vergelijkbare ontheffing is verleend. Desondanks is de schade de afgelopen jaren toegenomen. De aanpak waarbij ook wordt ingezet op populatiebeperking is dus niet effectief. Dat komt doordat opgejaagde vogels veel energie verbruiken die zij compenseren door extra te foerageren. Verjagen is zinloos als de vogels geen alternatief wordt geboden waar zij rustig kunnen foerageren. De stichting wijst op het Sovon-rapport 2006/02 "Overzomerende ganzen in Nederland: grenzen aan de groei?", waaruit volgens haar blijkt dat afschot niet effectief is. Zij stelt dat uit het rapport "Zomerganzen in Noord-Holland, telling juli 2014" blijkt dat het aantal ganzen in Noord-Holland in 2014 is toegenomen. Ook wijst de stichting op het rapport 2013/28 van Sovon, "Beheer van zomerganzen in de provincie Utrecht", waaruit volgens haar blijkt dat eenzijdige maatregelen om de populaties te verkleinen niet effectief zijn of niet duurzaam zijn omdat een niet aflatende grote inspanning is vereist. De stichting voert verder aan dat het college ook ontheffing heeft verleend voor verjaging met ondersteunend afschot. De effectiviteit van die minder vergaande maatregel moet worden afgewacht voordat ontheffing voor een verdergaande maatregel wordt verleend, aldus de stichting.

5.1.    Op pagina 24 van het Ganzenbeheerplan is een tabel opgenomen die de getelde aantallen ganzen in de zomer in Noord-Holland weergeeft. Uit de tabel blijkt dat het getelde aantal van zowel de grauwe gans als de brandgans in de jaren 2011 tot en met 2014 is toegenomen. Namens het college is ter zitting toegelicht dat de afgelopen jaren ook een ontheffing voor afschot gold. Die ontheffing heeft wel enig doch niet voldoende effect gehad. In het Ganzenbeheerplan is verder toegelicht dat de afgelopen jaren werings- en verjagingsmaatregelen zijn ingezet, maar dat die onvoldoende effect hebben gehad, nu de totale schade is toegenomen. Inrichtingsmaatregelen zijn beperkt inzetbaar of leiden tot beperkt of onvoldoende resultaat. Zo kunnen de meeste inrichtingsmaatregelen ook gevolgen hebben voor andere diersoorten. Op pagina 54 van het Ganzenbeheerplan wordt geconcludeerd dat geen enkele methode tot nu toe op zichzelf staand voldoende schade beperkend effect heeft gesorteerd. Het is dus noodzakelijk om meerdere maatregelen te nemen. Bovendien blijkt uit door het college overgelegde cijfers dat in Noord-Holland in 2015 aanmerkelijk minder brandganzen zijn geteld dan in 2014 en dat de groei van het aantal grauwe ganzen van 2014 tot 2015 minder was dan de groei van 2013 tot 2014. Uit het Sovon-rapport 2006/02 blijkt niet dat afschot in combinatie met andere maatregelen niet effectief kan zijn. In paragraaf 6.5.4 van het rapport wordt slechts de effectiviteit van afschot op zichzelf bezien. In hoofdstuk 8 "Oplossingsrichtingen" van het rapport staat dat waarschijnlijk combinaties van duurzame en directe methoden leiden tot het beste resultaat. Het rapport onderschrijft dus de conclusie in het Ganzenbeheerplan dat tegelijkertijd meerdere maatregelen en methoden moeten worden toegepast. Het door de stichting overgelegde rapport 2013/28 van Sovon ziet op de provincie Utrecht. De stichting heeft geen verklaring of rapport van een deskundige overgelegd waaruit blijkt dat de situatie in dat rapport vergelijkbaar is met de situatie in Noord-Holland. Het rapport kan daarom niet afdoen aan de conclusies van het Ganzenbeheerplan Noord-Holland.

    Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er geen andere bevredigende oplossing is.

    Het betoog faalt.

6.    Tot slot betoogt de stichting dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college niet in strijd met provinciaal beleid heeft gehandeld door ontheffing te verlenen voor de periode van 1 maart tot 1 november. In het door provinciale staten vastgestelde "Uitvoeringskader Ganzen Noord-Holland 2009" loopt de winterperiode van 1 oktober tot 1 april. Dat beleid is niet ingetrokken.

6.1.    Ingevolge artikel 4:81, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid.

6.2.    In het "Uitvoeringskader Ganzen Noord-Holland 2009" wordt als winterperiode aangemerkt 1 oktober tot 1 april. Op 27 mei 2014 heeft het college het "Uitvoeringsbeleid ganzen Noord-Holland 2014" vastgesteld. Daarin is op pagina 2 vermeld dat een belangrijke wijziging ten opzichte van het vorige beleid is dat nu als winterperiode wordt aangemerkt 1 november tot 1 maart. Voor zover het "Uitvoeringskader Ganzen Noord-Holland 2009" door het college was vastgesteld, heeft het dat beleid derhalve gewijzigd met het "Uitvoeringsbeleid ganzen Noord-Holland 2014".

    Ingevolge artikel 68, eerste lid, van de Ffw is het college bevoegd om onder de in die bepaling genoemde voorwaarden ontheffing te verlenen van onder andere artikelen 9 tot en met 15 van de Ffw. Gelet op het bepaalde in artikel 4:81, eerste lid, van de Awb zijn provinciale staten niet bevoegd om beleidsregels vast te stellen met betrekking tot de in artikel 68, eerste lid, van de Ffw gegeven bevoegdheid om ontheffing te verlenen. Voor zover het "Uitvoeringskader Ganzen Noord-Holland 2009" betrekking heeft op die bevoegdheid en door provinciale staten is vastgesteld, is dat daarom geen beleidsregel en is het college daaraan niet gehouden.

    Het betoog faalt.

7.    Het hoger beroep van de stichting is ongegrond.

Het hoger beroep van het college

8.    Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de voor het gebruik van het geweer van een uur voor zonsopgang tot een uur na zonsondergang verleende ontheffing in strijd is met de Vogelrichtlijn. Daartoe voert het aan dat het krachtens artikel 68, eerste lid, van de Ffw ontheffing mag verlenen van het in artikel 72, vijfde lid, opgenomen verbod om dieren te vangen of te doden in strijd met de in het Bbsd opgenomen regels betreffende het gebruik van aangewezen middelen. De uitspraak van de Afdeling van 4 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV0107, is volgens het college niet één op één toepasbaar in deze zaak, nu het in deze zaak, anders dan in de voormelde uitspraak, gaat om een middel dat bij wettelijk voorschrift is aangewezen. Bovendien is het verlenen van een ontheffing voor het gebruik van een geweer tussen zonsondergang en zonsopgang niet in strijd met de Vogelrichtlijn, nu het gebruiksvoorschrift in artikel 7, negende lid, aanhef en onder a, van het Bbsd niet op grond van de Vogelrichtlijn in nationale regelgeving is opgenomen, maar op grond van de Benelux-overeenkomst, aldus het college.

8.1.    Ingevolge artikel 7, negende lid, aanhef en onder a, van het Bbsd worden geweren niet gebruikt voor zonsopgang en na zonsondergang. Deze bepaling betreft een voorwaarde met betrekking tot het risico dan wel omstandigheid van tijd waaronder de afwijkende maatregelen mogen worden genomen als bedoeld in artikel 9, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vogelrichtlijn. Een wettelijk voorschrift waarin de mogelijkheid is opgenomen om het geweer een uur voor zonsopgang en een uur na zonsondergang te gebruiken, ontbreekt. In de uitspraak van 4 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV0107, heeft de Afdeling geoordeeld dat uit artikel 9, tweede lid, van de Vogelrichtlijn volgt dat in een wettelijk voorschrift moet zijn bepaald met welke middelen beschermde inheemse vogels mogen worden gedood. Dat oordeel geldt ook voor de in artikel 9, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vogelrichtlijn bedoelde voorwaarden met betrekking tot het risico en onder welke omstandigheden van tijd en plaats deze afwijkende maatregelen mogen worden genomen. In de uitspraak van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1423, heeft de Afdeling dit oordeel bevestigd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de voor het gebruik van het geweer van een uur voor zonsopgang tot een uur na zonsondergang verleende ontheffing in strijd is met de Vogelrichtlijn.

    Het betoog faalt.

9.    Het hoger beroep van het college is ongegrond.

Conclusie

10.    De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

11.    Het college dient ten aanzien van de stichting op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij de Stichting de Faunabescherming in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 520,51 (zegge: vijfhonderdtwintig euro en eenenvijftig cent), waarvan € 495,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.    bepaalt dat van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland een griffierecht van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Noordhoek, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Noordhoek

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2017

819. BIJLAGE

Vogelrichtlijn

Artikel 1

1. Deze richtlijn heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. Zij betreft de bescherming, het beheer en de regulering van deze soorten en stelt regels voor de exploitatie daarvan.

Artikel 9

1. De lidstaten mogen, indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat, om onderstaande redenen afwijken van de artikelen 5, 6, 7 en 8:

a) - in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid,

- in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer,

- ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren,

- ter bescherming van flora en fauna;

b), c) (...).

2. In de afwijkende bepalingen moet worden vermeld:

a) voor welke soorten mag worden afgeweken,

b) welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan,

c) onder welke voorwaarden met betrekking tot het risico en onder welke omstandigheden van tijd en van plaats deze afwijkende maatregelen mogen worden genomen,

d) welke autoriteit bevoegd is te verklaren dat aan die voorwaarden is voldaan, en te beslissen welke middelen, installaties of methoden mogen worden aangewend, binnen welke grenzen en door welke personen,

e) welke controles zullen worden uitgevoerd.

Ffw

Artikel 4

1. Als beschermde inheemse diersoort worden aangemerkt:

a. (...)

b. alle van nature op het Europese grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie voorkomende soorten vogels met uitzondering van gedomesticeerde vogels behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten;

c. - d. (...).

Artikel 9

Het is verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen.

Artikel 68

1. Wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, kunnen gedeputeerde staten, voorzover niet bij of krachtens enig ander artikel van deze wet vrijstelling is of kan worden verleend, ten aanzien van beschermde inheemse diersoorten, het Faunafonds gehoord, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9 tot en met 15, 15a, 15b, tweede lid in samenhang met het eerste lid, 16, 17, 18, 53, eerste lid, onderdelen c en d, 72, vijfde lid, en 74:

a. (...);

b. (...);

c. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren;

d. (...) of

e. (...).

Artikel 72

1. Bij algemene maatregel van bestuur worden, voorzover noodzakelijk in afwijking van artikel 15, de middelen aangewezen waarmee, met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 65 tot en met 70, dieren mogen worden gevangen of gedood. Als middelen worden slechts aangewezen middelen die geen onnodig lijden van dieren veroorzaken.

3. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, worden regels gesteld met betrekking tot het gebruik van de in het eerste en tweede lid bedoelde middelen.

5. Het is verboden dieren te vangen of te doden met andere dan de in het eerste of tweede lid bedoelde middelen of in strijd met de toestemming, bedoeld in het vierde lid of de regels die op grond van het derde lid worden gesteld.

Awb

Artikel 4:81

1. Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid.

Bbsd

Artikel 7

9. Geweren worden niet gebruikt:

a. voor zonsopgang en na zonsondergang, met dien verstande dat wilde eenden waarop de jacht is geopend ook mogen worden gedood gedurende een half uur voor zonsopgang en een half uur na zonsondergang;

b. - e. (...).

Verder lezen