ECLI:NL:RVS:2017:1714 Raad van State , 28-06-2017 / 201609040/1/R2

Uitspraak

201609040/1/R2.

Datum uitspraak: 28 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij, gevestigd te Rotterdam,

appellante,

en

de raad van de gemeente Laarbeek,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Herontwikkeling De Hei 25 en omgeving, Mariahout" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij en de raad hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2017. Geen van de partijen is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plan voorziet in de mogelijkheid een deel van het perceel De Hei 25 in Mariahout en de daarop bestaande bebouwing te gebruiken voor opslag-, kantoor- en magazijnruimte voor een bestaand bedrijf. Het overige deel van het perceel De Hei 25 krijgt deels de bestemming "Wonen" en deels de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschaps- en natuurwaarden-1".  Deze delen van het perceel De Hei 25 zijn al in gebruik als tuin en paardenwei bij de bestaande woningen aan De Hei 21 en 23. Ook deze percelen liggen in het plangebied. Hieraan zijn de bestemming "Wonen" en deels de aanduiding "veiligheidszone - O2 Hartlijn leiding olie 36"" toegekend.

    Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij exploiteert een 24"-productenleiding en een 36"-ruwe olieleiding ten zuiden van het plangebied, waarvan de risicocontouren deels in het plangebied liggen.

2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij

3.    Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij betoogt dat in het plan niet de juiste afstanden zijn aangehouden tot eerder genoemde brandstofleidingen. Zij stelt dat de 24"-productenleiding een risicocontour heeft van 46,2 m en de 36"-ruwe olieleiding een risicocontour van 39,3 m. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij vreest dat ten gevolge van het plan ter plaatse van de gronden waaraan niet de aanduiding "veiligheidszone - O2 Hartlijn leiding olie 36"" is toegekend en die liggen binnen genoemde risicocontouren nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten kunnen worden opgericht.

3.1.    In de ruimtelijke onderbouwing "Bedrijfsuitbreiding W.T.L. b.v. en herontwikkeling locatie De Hei 25 e.o. Mariahout" die als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd, staat dat de 24" leiding een risicocontour heeft van 25 m en de 36" leiding een risicocontour heeft van 33 m. Op basis van deze risicocontouren is de aanduiding "veiligheidszone - O2 Hartlijn leiding olie 36"" vastgesteld. De raad erkent in het verweerschrift dat voor de 24" leiding een risicocontour van 46,2 m en voor de 36" leiding een risicocontour een 39,3 m in acht had moeten worden genomen, maar stelt dat het plan binnen de risicocontouren van 46,2 m en 39,3 m geen nieuwe ontwikkelingen of (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk maakt. Hierover overweegt de Afdeling als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat voor de 24" leiding een risicocontour van 46,2 m en voor de 36" leiding een risicocontour een 39,3 m in acht moet worden genomen. De strook grond waaraan in de verbeelding de aanduiding "veiligheidszone - O2 Hartlijn leiding olie 36"" is toegekend, is dan ook te smal. Genoemde risicocontouren van onderscheidenlijk 46,2 m en 39,3 m liggen deels in het plandeel met de bestemming "Wonen". De Afdeling stelt vast dat het plan er in elk geval niet aan in de weg staat dat op de gronden binnen dit plandeel waaraan niet de aanduiding "veiligheidszone - O2 Hartlijn leiding olie 36"" is toegekend bijgebouwen kunnen worden opgericht. Deze bijgebouwen kunnen (beperkt) kwetsbare objecten zijn als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Besluit externe veiligheid buisleidingen, gelezen in samenhang met artikel 1, eerste lid, onderdelen b en l, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Reeds hierom kan de raad niet worden gevolgd in zijn stelling dat het plan binnen de risicocontouren van 46,2 m en 39,3 m geen nieuwe ontwikkelingen of (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk maakt.

    Het betoog slaagt.

Slotoverwegingen

4.    In hetgeen Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover daarbij niet een risicocontour van 46,2 m voor de 24" leiding en een risicocontour van 39,3 m voor de 36" leiding ten zuiden van het plangebied in acht is genomen, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

    Voor zover de raad heeft verzocht toepassing te geven aan de in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb gegeven bevoegdheid, ziet de Afdeling geen aanleiding om met toepassing van deze bepaling in dit geval zelf in de zaak te voorzien. Hierbij is van belang dat aannemelijk is dat derdebelanghebbenden daardoor in hun belangen zouden kunnen worden geschaad.

    De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor het vernietigde planonderdeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

5.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Laarbeek van 20 oktober 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Herontwikkeling De Hei 25 en omgeving, Mariahout" voor zover niet een risicocontour van 46,2 m voor de 24" leiding en een risicocontour van 39,3 m voor de 36" leiding ten zuiden van het plangebied in acht is genomen;

III.    draagt de raad van de gemeente Laarbeek op om binnen twintig weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV.    veroordeelt de raad van de gemeente Laarbeek tot vergoeding van bij N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 495,00 (zegge: vierhonderdvijfennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.    gelast dat de raad van de gemeente Laarbeek aan N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Vletter, griffier.

w.g. Van der Wiel    w.g. Vletter

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2017

653.