ECLI:NL:RVS:2017:1716 Raad van State , 28-06-2017 / 201608929/1/A2

Uitspraak

201608929/1/A2.

Datum uitspraak: 28 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 oktober 2016 in zaak nr. 16/3629 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2009 definitief vastgesteld op € 8.767,00 en € 3.043,00 aan te veel uitbetaalde voorschotten van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 15 april 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 oktober 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juni 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. D. Gürses, advocaat te Utrecht, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    In 2009 maakte [appellante] voor de opvang van haar kinderen gebruik van kinderopvanginstelling Realisatie Kinderopvang B.V. (hierna: REKI). Hiervoor heeft zij voor het jaar 2009 kinderopvangtoeslag aangevraagd, waarop zij een bedrag van € 15.788,00 aan voorschotten heeft ontvangen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft in zijn definitieve berekening het recht op kinderopvangtoeslag definitief vastgesteld op € 8.767,00. Dat het vastgestelde bedrag lager uitvalt dan het voorschot, komt doordat bij de voorschotberekening is uitgegaan van de door [appellante] doorgegeven 172 uur opvang per maand per kind, terwijl dit volgens de later overgelegde jaaropgaves 130 uur had moeten zijn. De Belastingdienst/Toeslagen stelt zich op het standpunt dat van het teveel betaalde reeds € 3.978,00 is terugbetaald door de kinderopvanginstelling. Het restant, een bedrag van € 3.043,00, is in eerste instantie verrekend met een recht op huurtoeslag, maar dit is ongedaan gemaakt, aldus de Belastingdienst/Toeslagen.    

2.    De rechtbank heeft overwogen dat [appellante] geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan aannemelijk is te achten dat de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag bij de definitieve berekening op een onjuist bedrag heeft vastgesteld. [appellante] is het terug te vorderen bedrag in zijn geheel verschuldigd. Nu [appellante] de Belastingdienst/Toeslagen niet in gebreke heeft gesteld na het uitblijven van een beslissing op bezwaar, leidt het niet tijdig beslissen naar het oordeel van de rechtbank niet tot gegrondverklaring van het beroep. Tenslotte heeft de rechtbank overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen van horen mocht afzien, nu redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was over de ongegrondheid van het bezwaar.

Het hogerberoepschrift

3.    [appellante] klaagt allereerst dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niets heeft aangevoerd op grond waarvan aannemelijk is dat de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag bij de definitieve berekening op een onjuist bedrag heeft vastgesteld. Zij betoogt daartoe dat uit de door de Belastingdienst/Toeslagen overgelegde stukken niet blijkt dat van de juistheid van het door de Belastingdienst/Toeslagen vastgestelde recht kan worden uitgegaan. Bovendien staat niet vast dat de Belastingdienst/Toeslagen het terug te vorderen bedrag juist heeft vastgesteld en gaat zij ervan uit dat de ten onrechte uitgekeerde bedragen ten tijde van belang reeds waren terugbetaald.

3.1.    De rechtbank is, naar aanleiding van haar gelijkluidende klacht in beroep, gemotiveerd en onder verwijzing naar verschillende dossierstukken tot het oordeel gekomen dat de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag terecht op een lager bedrag heeft vastgesteld. De enkele herhaling van [appellante] van haar in beroep naar voren gebrachte klacht, zonder deze met stukken te onderbouwen, geeft geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte op basis van de voorhanden zijnde dossierstukken tot het oordeel is gekomen dat in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geen grond is gelegen voor het oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen van onjuiste gegevens en bedragen is uitgegaan.

    Voor zover zij betoogt dat het terug te vorderen bedrag, als opgenomen in het besluit van 30 augustus 2012, onjuist is, ligt het op haar weg aannemelijk te maken dat de ten onrechte uitbetaalde voorschotten kinderopvangtoeslag op dat moment reeds waren terugbetaald. Dit heeft zij met de door haar overgelegde stukken niet gedaan.

    Het betoog faalt.

4.    Voor zover [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Belastingdienst/Toeslagen vanwege haar bijzondere belangen van invordering had behoren af te zien, kan zij met dit betoog niet het door haar beoogde doel bereiken, reeds omdat de fase van vaststelling en terugvordering hier aan de orde is en niet de, hierop volgende, fase van invordering.

5.    Voor zover [appellante] klaagt dat zij ten onrechte niet op haar bezwaar is gehoord, faalt dit betoog. Nu de Belastingdienst/Toeslagen zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat het bezwaar van [appellante] kennelijk ongegrond is, mocht de dienst van het horen van [appellante] in de bezwaarfase met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb afzien.

6.    [appellante] verzoekt tenslotte de Belastingdienst/Toeslagen te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn.

6.1.    De vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene.

    Op deze zaak is niet de gewijzigde rechtspraak, zoals die is neergelegd in de uitspraak van 29 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:188), van toepassing, omdat het primaire besluit dateert van 30 augustus 2012. Op deze zaak worden de termijnen toegepast die de Afdeling vóór die uitspraak hanteerde.

    Voor zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaan, is in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk. De redelijke termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt.

    Indien eerst in hoger beroep wordt verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, moet dit verzoek worden beoordeeld naar de stand van het geding ten tijde van de uitspraak op het hoger beroep, waarbij de duur van de totale procedure tot dan toe in ogenschouw wordt genomen. Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.

6.2.    De redelijke termijn is op 25 september 2012, de dag van de ontvangst van het bezwaarschrift, aangevangen en de zaak is door twee rechterlijke instanties behandeld. Ten tijde van de uitspraak van de Afdeling is de redelijke termijn derhalve nog niet overschreden. Het verzoek om schadevergoeding dient dan ook te worden afgewezen.

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.

w.g. Kranenburg    w.g. Van Dokkum

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2017

480.

Verder lezen