ECLI:NL:RVS:2017:1840 Raad van State , 07-07-2017 / 201605011/1/V2

Uitspraak

201605011/1/V2.

Datum uitspraak: 7 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 17 juni 2016 in zaak nr. 16/6068 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2015 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken en tegen haar een inreisverbod uitgevaardigd.

Bij besluit van 4 maart 2016 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 juni 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.A.P.F. Hoens, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De door de vreemdeling in hoger beroep overgelegde arbeidsovereenkomst van 5 september 2016, en het door haar in hoger beroep ingeroepen Besluit van 21 juni 2016, nummer WBV 2016/7, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Stcrt. 2016, nr. 33962) dateren van ná de aangevallen uitspraak. De inhoud van die stukken ziet verder niet op de periode vóór de aangevallen uitspraak. Nu de aangevallen uitspraak ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) dwingend als object van hoger beroep is aangewezen, kunnen deze stukken niet bij de beoordeling van het hoger beroep worden betrokken.    

2.    Hetgeen overigens in hoger beroep is aangevoerd, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

3.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.R. Fernandez, griffier.

w.g. Van der Spoel    w.g. Fernandez

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2017

753.