ECLI:NL:RVS:2017:1858 Raad van State , 12-07-2017 / 201602242/1/A1

Uitspraak

201602242/1/A1.

Datum uitspraak: 12 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te Leimuiden, gemeente Kaag en Braassem,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 februari 2016 in zaken nrs. 15/6081 en 15/6083 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem.

Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2015 heeft het college aan [belanghebbende A] en [belanghebbende B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [belanghebbende]) een last onder dwangsom opgelegd wegens overtredingen nabij de [locatie 1] te Leimuiden.

Bij besluit van 8 juli 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 15 februari 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[belanghebbende] heeft eveneens een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak gevoegd met zaak nr. 201608353/1/A1 ter zitting behandeld op 6 juni 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J. de Vet, rechtsbijstandverlener te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door H.C. de Jong en M.P.G. van der Houwen, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende A] ter zitting verschenen.

Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

Inleiding

1.    In mei 2014 heeft [appellant] het college verzocht handhavend op te treden tegen onder meer de opslag van puin op percelen van [belanghebbende] nabij [locatie 1] te Leimuiden. Bij het besluit van 30 januari 2015 heeft het college aan [belanghebbende] een last onder dwangsom opgelegd wegens, onder meer, het in strijd met het bestemmingsplan opslaan van puin. Gelast is deze overtreding te beëindigen en beëindigd te houden door de opgeslagen hoeveelheden puin te verwijderen en verwijderd te houden. Daarbij is vermeld dat [belanghebbende] ten aanzien van de puinverharding in de gelegenheid wordt gesteld om, ter legalisatie, binnen de begunstigingstermijn een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit aanleggen in te dienen. Voorts is vermeld: "Indien u deze aanvraag tijdig indient, dan wordt de voornoemde begunstigingstermijn ten aanzien van de puinverharding opgeschort hangende ons besluit inzake de aanvraag aanlegvergunning. Indien de aanvraag wordt verleend is daarmee de puinverharding gelegaliseerd. Indien de aanvraag wordt geweigerd, dan zal de in dit besluit gestelde begunstigingstermijn herleven en dient u de puinverharding alsnog te verwijderen."

    [appellant] woont aan de [locatie 2] te Leimuiden. Hij kan zich niet verenigen met de in het besluit van 30 januari 2015 geboden mogelijkheid om de begunstigingstermijn op te schorten door het indienen van een legalisatieverzoek voor de puinverharding.

Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn gronden in bezwaar geen betrekking hebben op het besluit van 30 januari 2015. Het bezwaar richtte zich tegen het onderdeel van dat besluit waarin is bepaald dat de begunstigingstermijn wordt opgeschort hangende de behandeling van een aanvraag om een aanlegvergunning.

2.1.    De rechtbank heeft overwogen dat het college een last onder dwangsom heeft opgelegd omdat [belanghebbende] in overtreding was door voertuigen, puin, zand, mest, grond en snoeiafval op te slaan op agrarische gronden. De bezwaargronden van [appellant] hebben daar volgens de rechtbank geen betrekking op. [appellant] heeft argumenten naar voren gebracht tegen de overweging dat een aanlegvergunning de aanwezige puinweg kan legaliseren en wil volgens de rechtbank een inhoudelijke beoordeling of een aanlegvergunning de overtreding wegneemt. Deze argumenten kunnen volgens de rechtbank echter pas aan de orde komen wanneer de aanlegvergunning is verleend. Nu de bezwaargronden geen betrekking hebben op het primaire besluit, heeft het college het bezwaar van [appellant] volgens de rechtbank terecht niet-ontvankelijk verklaard.

2.2.    Anders dan de rechtbank, is de Afdeling van oordeel dat het bezwaar van [appellant] gericht was tegen het besluit van 30 januari 2015, namelijk tegen het onderdeel waarin is bepaald dat de begunstigingstermijn ten aanzien van de puinverharding wordt opgeschort indien binnen die termijn een vergunningaanvraag wordt ingediend. De bedoelde aanvraag is echter eerst na die termijn, op 28 maart 2015, ingediend. Partijen hebben niet gesteld en uit de stukken blijkt ook niet dat de begunstigingstermijn ten aanzien van de puinverharding, en daarmee de termijn voor het indienen van een aanvraag, bij afzonderlijk besluit is verlengd. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de begunstigingstermijn niet is opgeschort. Wat [appellant] met zijn bezwaar wilde bereiken, had zich aldus reeds voorgedaan. Dit betekent dat [appellant] ten tijde van het besluit op bezwaar geen belang meer had bij een beslissing op zijn bezwaar tegen dit onderdeel van het besluit. Zijn bezwaar is daarom terecht, zij het om een andere reden, niet-ontvankelijk verklaard.

2.3.    Gelet op het vorenstaande heeft [appellant] terecht betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn bezwaar geen betrekking heeft op het besluit van 30 januari 2015, maar leidt dit niet tot het daarmee beoogde doel.

2.4.    Het betoog faalt.

3.    De andere gronden behoeven gelet op het vorenstaande geen bespreking.

Conclusie

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden, te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, griffier.

w.g. Steendijk    w.g. Visser

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2017

148.