ECLI:NL:RVS:2017:1862 Raad van State , 12-07-2017 / 201603921/1/A1

Uitspraak

201603921/1/A1.

Datum uitspraak: 12 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Ruinerwold, gemeente De Wolden, waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], beiden wonend te Ruinerwold (hierna: de maatschap),

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 april 2016 in zaak nr. 15/2575 in het geding tussen:

de maatschap

en

het college van burgemeester en wethouders van De Wolden.

Procesverloop

Bij besluit van 4 november 2014 heeft het college aan de Dienst Landelijk Gebied Regio Noord een omgevingsvergunning verleend voor het inrichtingsplan Anserveld, ten behoeve van natuurontwikkeling en het vasthouden van gebiedseigen water.

Bij besluit van 26 mei 2015 heeft het college onder meer het door de maatschap daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 april 2016 heeft de rechtbank het door de maatschap daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de maatschap hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juni 2017, waar de maatschap, vertegenwoordigd door [maat A], vergezeld door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Verbrugge en drs. K. Thijssen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Op 16 december 2014 heeft het Algemeen Bestuur van waterschap Reest en Wieden het watergebiedsplan Anserveld vastgesteld. Dit is een projectplan als bedoeld in artikel 5.4 van de Waterwet. Doel van het plan is om het Anserveld in te richten en te laten functioneren als klimaatbuffer, waar 285.000 m3 water kan worden vastgehouden en geborgen. De concrete inrichtingsmaatregelen zijn opgenomen in een inrichtingsplan. De bij het besluit van 4 november 2014 verleende omgevingsvergunning heeft betrekking op werken en werkzaamheden op de percelen kadastraal bekend gemeente Ruinen, sectie I, nummers 4, 22, 26, 27, 28, 62, 467 en 469.

    De maatschap exploiteert een akkerbouw- en melkveebedrijf en heeft direct grenzend aan het plangebied pachtgrond tot haar beschikking met een oppervlakte van 15 hectare.  

2.    Ter plaatse geldt de beheersverordening "Buitengebied De Wolden". Op de gronden waarop de omgevingsvergunning ziet, rusten de bestemmingen "Agrarisch met waarden", "Natuur", "Waarde archeologie" en "Milieuzone-hydrologische beïnvloeding". Op grond van de regels van de  beheersverordening is voor het uitvoeren van de daarin vermelde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden een omgevingsvergunning vereist.

Hydrologische effecten

3.    De maatschap voert aan dat in de uitspraak van de rechtbank onvoldoende rekening is gehouden met de gevolgen van de uitvoering van het inrichtingsplan voor haar bedrijf. Zij wijst erop dat zij de door haar gepachte gronden inmiddels 15 jaar bebouwt. Zij acht het niet juist dat haar kennis over de gronden niet opweegt tegen een hydrologisch onderzoek, gemaakt met een simulatie model. Het is volgens haar niet aanvaardbaar dat zij geconfronteerd wordt met een omgekeerde bewijslast.

3.1.    De rechtbank heeft overwogen dat de maatschap niet heeft aangetoond dat de effecten van het plan op het grondwater en kwel anders zullen zijn dan door het college is toegelicht. Daarbij heeft zij in aanmerking genomen dat de hydrologische effecten van het plan met het meest actuele modelinstrumentarium zijn bepaald. De enkele, niet met verifieerbare gegevens onderbouwde stelling van de maatschap leidt de rechtbank niet tot de conclusie dat het verrichte onderzoek naar de effecten van het plan op het grondwater en kwel onvoldoende is of onjuist is te achten.

3.2.    Artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bepaalt:

"Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

[…]

b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,

[…]."

    Artikel 2.11, eerste lid, bepaalt:

"Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, waaromtrent regels zijn gesteld in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien het werk of de werkzaamheid daarmee in strijd is […]."

3.3.    In verschillende regels van de beheersverordening is in nagenoeg gelijke bewoordingen bepaald, dat een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van in die regels vermelde werken of werkzaamheden slechts kan worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waterhuishouding van de omliggende percelen en de gebruiksmogelijkheden daarvan.  

3.4.    Bij de vergunningaanvraag is een door Grontmij Nederland B.V. opgesteld rapport "Anserveld: Onderbouwing GGOR en WB21" van 7 mei 2014 gevoegd. Dat rapport maakt deel uit van de verleende omgevingsvergunning. Blijkens het rapport is een modelstudie uitgevoerd met het MIPWA model instrumentarium, het grondwatermodel van noord Nederland, om de effecten van maatregelen op omliggende belangen in beeld te brengen. Hierbij is gebruik gemaakt van het meest recente MIPWA model V2.1, dat voor dit project nader is geactualiseerd voor de huidige (referentie)situatie, aldus het rapport. Uit de uitgevoerde effectberekeningen volgt dat ter plaatse van de gronden van de maatschap een beperkte verhoging van de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHV) en de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) optreedt. In het rapport is als mitigerende maatregel voorgesteld om een sloot buiten de kade aan te leggen op het lage "landbouwpeil". De bestaande sloot zou hiervoor kunnen worden opgewaardeerd.

3.5.    Het college heeft in het besluit van 4 november 2014 overwogen dat er een mogelijkheid is dat met betrekking tot de waterbouwkundige staat nadelige effecten zullen ontstaan. Gelet op de te treffen waterbouwkundige maatregelen wordt verwacht dat de effecten dermate gering zijn dat de hydrologische waarden niet onevenredig worden geschaad. Verder zijn de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden volgens het college gewaarborgd door de te treffen waterbouwkundige maatregelen.

3.6.    Uit het rapport van 7 mei 2014 blijkt dat de te verwachten gevolgen van de inrichtingsmaatregelen voor de gronden van de maatschap in ogenschouw zijn genomen. De maatschap stelt zich op het standpunt dat de gevolgen ernstiger zullen zijn dan waarvan in het rapport is uitgegaan, maar heeft geen stukken overgelegd waaruit dat zou blijken. In haar enkele stelling dat in het rapport onvoldoende rekening is gehouden met kwel, ziet de Afdeling evenals de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het college het rapport niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Anders dan de maatschap meent, betekent dit niet een omkering van de bewijslast. De maatschap stelt dat het aan de besluitvorming ten grondslag gelegde rapport niet deugdelijk is en zij zal dat daarom aannemelijk moeten maken. Daarin is zij niet geslaagd.

3.7.    Het betoog faalt.

Zitting rechtbank

4.    Voor zover de maatschap betoogt dat in het procesverloop van de aangevallen uitspraak ten onrechte is vermeld dat zij niet ter zitting is verschenen, slaagt dit betoog niet. Niet in geschil is dat de maatschap zich op 12 februari 2016 om 11:00 uur bij de rechtbank heeft gemeld, terwijl de aanvangstijd van de behandeling van haar zaak 10:30 uur was. Blijkens de brief van de griffier van de rechtbank van 26 februari 2016, gericht aan de maatschap, was de behandeling van de zaak op het moment dat de maatschap zich aanmeldde reeds afgelopen. Niet gebleken is voorts dat de rechtbank bepalingen van afdeling 8.2.5 van de Algemene wet bestuursrecht of beginselen van een behoorlijke procedure heeft geschonden.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, griffier.

w.g. Steendijk    w.g. Visser

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2017

148.