ECLI:NL:RVS:2017:1871 Raad van State , 12-07-2017 / 201606434/1/A2

Uitspraak

201606434/1/A2.

Datum uitspraak: 12 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Zwolle,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 15 juli 2016 in zaak nr. 15/2722 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle.

Procesverloop

Bij besluit van 18 mei 2015 heeft het college het verzoek van [appellante] om het treffen van verkeersmaatregelen aan de Turnhoutsweg afgewezen.

Bij besluit van 13 oktober 2015 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 juli 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 mei 2017, waar [appellante], bijgestaan door J.C. van Ettekoven, en het college, vertegenwoordigd door R.H. van Berkum-Pinxsterhuis, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij brief van 12 februari 2015, aangevuld bij die van 9 april 2015, heeft [appellante] het college verzocht de verkeersmaatregelen te treffen die Veilig Verkeer Nederland (hierna: VVN) heeft vermeld in een advies van 25 november 2014, over de herinrichting van de Turnhoutsweg in 2013.

2.    VVN heeft in het advies vermeld dat na de aanleg van de nabijgelegen Westenholterallee en de herinrichting van de Turnhoutsweg, het snelheidsbeeld op de Turnhoutsweg is veranderd en het aantal auto’s en vrachtwagens is afgenomen. De snelheden van auto’s en vrachtwagens zijn volgens het advies echter zorgwekkend hoog. De toegestane snelheid is 30 km/u, terwijl de zogenoemde V85 (de snelheid die door 15% van het verkeer wordt overschreden) voor personenauto’s en vrachtwagens op 59 respectievelijk 50 km/u ligt. Voor 30 km/u-wegen geldt dat een V85 van meer dan 46km/u wordt gekwalificeerd als "slecht".

    De hoge snelheden zijn deels het gevolg van de drempel bij de Meenteweg, die niet de maatvoering van een 30 km/u drempel heeft, en gemakkelijk met hogere snelheden kan worden bereden. Bovendien is het wegdek van de Turnhoutsweg aanmerkelijk breder dan in de richtlijnen is aanbevolen. De fietsstroken zijn 1,90 meter breed en maken inhalen eenvoudig, wat gevaarlijke situaties kan opleveren. Het geheel heeft kennelijk onvoldoende snelheidsremmende werking, aldus VVN. De Turnhoutsweg is een weg voor alle verkeer en een belangrijke route voor fietsende scholieren en, in het recreatieseizoen, voor recreatieve fietsers. Voor een weg met dit verkeer zijn de snelheden van het gemotoriseerd verkeer onverantwoord hoog.

    VVN adviseert de veel te hoge snelheden van auto- en vrachtverkeer terug te brengen door ter hoogte van de drempel bij de Meenteweg een versmalling voor gemotoriseerd verkeer aan te brengen die door één voertuig tegelijk kan worden gepasseerd. Deze dient te worden voorzien van langsgeleiders om (brom)fietsers aan de buitenkant te laten passeren. Ook wordt geadviseerd de situatie bij de sluis voor fietsverkeer vanaf de Turnhoutsweg duidelijker te maken. Ten slotte wordt geadviseerd de Turnhoutsweg tussen de Meenteweg en de brug te verbieden voor vrachtverkeer dat daar geen bestemming heeft.

3.    Na een overleg tussen het college, VVN en belangenvereniging Spoolderbelangen heeft het college besloten om voorlopig niet in te gaan op het voorstel van VVN om een versmalling voor gemotoriseerd verkeer aan te brengen. Wel wordt op de plek waar fietsers moeten oversteken voor de brug richting Westenholte een witte pijl met fietslogo aangebracht, komt op het kruisingsvlak van de Turnhoutsweg en de Hertsenbergweg een visuele maatregel in de vorm van een witte cirkel, om auto’s te attenderen op overstekende fietsers, en worden op de kruising van de Beukenallee en de Hertsenbergweg borden geplaatst met de aanduiding "overstekende fietsers".

4.    Bij het besluit van 18 mei 2015, gehandhaafd bij dat van 13 oktober 2015, heeft het college het verzoek van [appellante] om het treffen van de in het advies van VVN vermelde maatregelen afgewezen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat het advies door de gemeenteraad is betrokken bij de evaluatie van de herinrichting van de Turnhoutsweg. Een deel van de in het advies genoemde maatregelen is bewust ter zijde gelegd, waaronder het verbod voor vrachtverkeer in een deel van de Turnhoutsweg en het aanbrengen van een versmalling. Het college heeft daarnaast gewezen op de afspraken die in het onder 3 vermelde overleg zijn gemaakt.

Beroep

5.    De rechtbank heeft een aantal van de door [appellante] in beroep aangevoerde gronden tegen het besluit van 13 oktober 2015 niet beoordeeld, omdat deze zien op het handelen of nalaten van het college dat voortvloeit uit andere besluiten en/of procedures. De gronden zijn niet te herleiden tot het advies van VVN en het daarop gebaseerde verzoek van [appellante]. Over de in geding zijnde besluitvorming heeft de rechtbank overwogen dat niet kan worden geoordeeld dat het college de betrokken belangen heeft veronachtzaamd. Het heeft de verschillende belangen, in het licht van het optimaal waarborgen van het gebruik van de weg en de bereikbaarheid van percelen, en de financiële haalbaarheid van de te treffen maatregelen, blijkens de vele overlegmomenten tussen de gemeente, omwonenden, Spoolderbelangen en VVN in zijn besluitvorming betrokken en afgewogen. Het college hoefde daarbij niet te onderzoeken welke herkomst en bestemming het verkeer heeft, nu de verkeersintensiteit fors is afgenomen. Bovendien heeft het college geen invloed op de routekeuze en bovenmatige snelheid van het verkeer, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

6.    De klacht van [appellante] dat mr. W.F. Bijloo de uitspraak van de rechtbank heeft gedaan, terwijl mr. W.J.B. Cornelissen de zaak heeft voorbereid, faalt. Uit het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank volgt dat mr. Bijloo de zaak ter zitting heeft behandeld, en uit de uitspraak volgt dat hij degene is die de uitspraak heeft gedaan. Dat in een brief van de rechtbank van 26 februari 2016 is vermeld dat mr. Cornelissen de zaak zou behandelen, en dat dit niet het geval is geweest, leidt niet tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak gebrekkig is en kan daarom niet tot vernietiging van die uitspraak leiden.

Onbesproken gelaten gronden

7.    [appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte een aantal gronden onbesproken heeft gelaten. Deze gronden zien, samengevat weergegeven, op het plaatsen van een hoogtebalk, een volgens [appellante] illegaal aangelegde uitrit op het terrein van Scania, de afmetingen van een brug over het Zwolle-IJsselkanaal, het onderbreken van een geluidswal, een kruispunt voor de ontsluiting van een industrieterrein,  overlast van te lage verkeersdrempels, het bestemmingsplan en het ontbreken van een evaluatie van de opening van de Westenholterallee.

7.1.    Het college heeft [appellante] naar aanleiding van haar verzoek tot het treffen van verkeersmaatregelen, bij brief van 3 maart 2015 verzocht te verduidelijken om welke verkeersmaatregelen zij verzoekt. Daarop heeft [appellante] het college bij brief van 9 april 2015 te kennen gegeven dat zij verzoekt om de maatregelen die zijn vermeld in het advies van VVN van 25 november 2014. Uit het advies volgt, zoals vermeld onder 2, dat die maatregelen bestaan uit de aanleg van een versmalling met langsgeleiders voor (brom)fietsverkeer, het verduidelijken van de situatie bij de sluis voor fietsers en het verbieden van doorgaand vrachtverkeer in een deel van de Turnhoutsweg. De voormelde gronden die [appellante] in beroep heeft aangevoerd hebben geen betrekking op de afwijzing van het verzoek om het treffen van deze maatregelen. De rechtbank heeft de gronden dan ook terecht onbesproken gelaten. De Afdeling zal evenzeer voorbijgaan aan de daarover aangevoerde gronden.

Akoestisch onderzoek

8.    [appellante] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte geen akoestisch onderzoek heeft uitgevoerd. Daartoe was het op grond van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) gehouden. Dat volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3215, aldus [appellante].

8.1.    De uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2013 heeft betrekking op de vaststelling van het bestemmingsplan voor het gebied waarin de Turnhoutsweg ligt. Uit die uitspraak volgt dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan een akoestisch onderzoek had moeten plaatsvinden. Weliswaar werd met het bestemmingsplan beoogd de Turnhoutsweg in te richten als 30 km/u-weg, maar het plan verplichtte daartoe niet en daartoe was ook geen verkeersbesluit genomen. Daarom gold niet de vrijstelling voor een akoestisch onderzoek, neergelegd in artikel 74, tweede lid, onder b, van de Wgh.

8.2.    De thans in geding zijnde besluitvorming ziet, anders dan die aan orde in de uitspraak van 26 juni 2013, op de afwijzing van een verzoek om verkeersmaatregelen te treffen. Uit de Wgh volgt niet dat het college ertoe gehouden is bij deze besluitvorming een akoestisch onderzoek uit te voeren.

    Ten overvloede wordt overwogen dat de Afdeling bij uitspraak van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1498, heeft geoordeeld dat in het na de uitspraak van 26 juni 2013 vastgestelde bestemmingsplan alsnog een maximumsnelheid van 30 km/u is opgenomen, zodat ook in de planprocedure geen akoestisch onderzoek hoefde plaats te vinden.

    Het betoog faalt.

Verkeersmaatregelen

9.    [appellante] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet in redelijkheid tot de in geding zijnde besluitvorming heeft kunnen komen. Daartoe voert [appellante] aan dat de Turnhoutsweg als 30 km/u-weg is aangewezen, maar niet als zodanig wordt gebruikt. De aanwezige verkeersdrempels zijn zo laag, dat ze geschikt zijn voor een 60 km/u-weg. Ze worden dan ook veelvuldig gepasseerd met een hogere snelheid dan is toegestaan. Daarnaast wordt de Turnhoutsweg veel gebruikt voor doorgaand vrachtverkeer. Daardoor ontstaan onveilige situaties. Fietsers moeten gebruik maken van dezelfde rijbaan als vracht- en landbouwverkeer, terwijl dat verkeer harder rijdt dan is toegestaan. Daarom zijn schoolgaande kinderen door hun ouders geïnstrueerd om gebruik te maken van het voetpad, aldus [appellante].

9.1.    De Afdeling ziet zich allereerst voor de vraag gesteld in hoeverre de verschillende onderdelen van de afwijzing van het verzoek van [appellante] in deze procedure aan de orde kunnen komen.

Verkeersdrempel en wegversmalling

9.2.    Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 10 januari 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AP5709, wordt overwogen dat de weigering van het college om een snelheidsbeperkende voorziening te treffen - zoals een verkeersdrempel of wegversmalling - ter ondersteuning van de ter plaatse geldende maximumsnelheid, moet worden opgevat als een weigering om een feitelijke handeling te verrichten. Tegen feitelijke handelingen kan geen bezwaar worden gemaakt en geen beroep en hoger beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld. Daarom kan de afwijzing van het verzoek in zoverre niet aan de orde komen in deze procedure.

Verduidelijken situatie voor fietsers

9.3.    Over het verduidelijken van de situatie bij de sluis voor fietsers heeft de rechtbank overwogen dat het college reeds gehoor heeft gegeven aan het advies van VVN. Omdat [appellante] daarom geen belang meer heeft bij een oordeel over dit punt, heeft de rechtbank dit punt onbesproken gelaten. Hiertegen is [appellante] in hoger beroep niet opgekomen, zodat ook de Afdeling aan dit punt voorbij zal gaan.

Verbod voor vrachtverkeer

9.4.    Gelet op het voorgaande ligt nog slechts de vraag voor of het college, in afwijking van het advies van VVN, het verzoek om het instellen van een verbod voor doorgaand vrachtverkeer in een deel van de Turnhoutsweg heeft kunnen afwijzen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 januari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ5844), komt het college bij het nemen van een verkeersbesluit beslissingsruimte toe. Het is aan het college om alle verschillende bij het nemen van een dergelijk besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter dient zich bij de beoordeling van zo'n besluit dan ook terughoudend op te stellen en te toetsen of het besluit niet strijdig is met wettelijke voorschriften, dan wel of er een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen is, dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.

9.5.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het weren van bepaalde verkeersdoelgroepen zeer onwenselijk is, omdat dit strijdig is met de openbare functie van de weg.

    [appellante] heeft gewezen op de overschrijding van de maximumsnelheid op de Turnhoutsweg en de gevolgen daarvan. Uit het advies van VVN volgt dat een wezenlijk deel van het verkeer de toegestane snelheid van 30 km/u zorgwekkend overschrijdt. Dat valt echter slechts in beperkte mate toe te rekenen aan het vrachtverkeer. Volgens het advies van VVN vormt het vrachtverkeer vóór de herinrichting van de Turnhoutsweg 21% van alle verkeer, en na de herinrichting 7%. Uit de meting van VVN volgt dat vrachtwagens na de herinrichting gemiddeld 40 km/u rijden (V85: 50 km/u) en personenauto’s 47km/u (V85: 59km/u). Personenauto’s vormen dus een ruime meerderheid van het verkeer op de Turnhoutsweg en overschrijden de maximumsnelheid het meest.

    Gelet op het zwaarwegende belang van de openbare functie van de weg enerzijds, en het beperkte aandeel van het vrachtverkeer in het totaal van de door VVN geconstateerde snelheidsoverschrijdingen anderzijds, kan niet worden gezegd dat aan het besluit van het college om geen verbod in te stellen voor doorgaand vrachtverkeer een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van betrokken belangen ten grondslag ligt, dat het college niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

    Het betoog faalt.

Slotsom

10.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Baart, griffier.

w.g. Lubberdink    w.g. Baart

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2017

799.