ECLI:NL:RVS:2017:1877 Raad van State , 12-07-2017 / 201604042/2/A1

Uitspraak

201604042/2/A1.

Datum uitspraak: 12 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Haag,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 april 2016 in zaak nr. 15/8064 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2015 heeft het college medegedeeld dat van rechtswege omgevingsvergunning is ontstaan voor het maken van een uitweg op het perceel [locatie] te Den Haag.

Bij besluit van 1 oktober 2015 heeft het college, voor zover van belang, het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 april 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en de Stichting Jamia Madinatul-Islam hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 maart 2017, waar [appellant], bijgestaan door drs. S.A.N. Geerling, rechtsbijstandverlener, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C. Remeijer-Schmits, zijn verschenen. Ter zitting is tevens gehoord de Stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. T.G. Öztürk.

Bij tussenuitspraak van 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1019, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen zes weken na de verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 1 oktober 2015 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 23 mei 2017 heeft het college opnieuw op het bezwaar van [appellant] beslist, dat gegrond verklaard, het besluit van 8 mei 2015 herroepen en alsnog geweigerd omgevingsvergunning te verlenen voor het maken van een uitweg op het perceel.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [appellant] zijn zienswijze over de wijze waarop in het besluit van 23 mei 2017 het gebrek is hersteld, naar voren gebracht.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c en d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Het besluit van 1 oktober 2015

1.    Aan de orde is, voor zover van belang, een aanvraag om omgevingsvergunning voor het maken van een uitweg op het perceel. Bij besluit van 8 mei 2015 heeft het college de van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor het maken van de uitweg bekend gemaakt.

2.    Het college heeft zich in het besluit van 1 oktober 2015 op het standpunt gesteld dat zich geen van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 2:84, tweede lid, van de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag voordoen. Volgens het college leidt afweging van de betrokken belangen tot de conclusie dat de van rechtswege ontstane vergunning voor de uitweg in stand kan blijven.

Tussenuitspraak

3.    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat het besluit van 1 oktober 2015 in strijd met artikel 3:2 van Awb niet zorgvuldig is voorbereid. Volgens de Afdeling heeft het college over de vraag in hoeverre het vervallen van een parkeerplaats in de openbare ruimte bij de belangenafweging van artikel 2:84, tweede lid, van de APV dient te worden betrokken zich ter zitting van de Afdeling op een ander standpunt gesteld dan het heeft gedaan bij het besluit van 1 oktober 2015. De Afdeling heeft het college opgedragen te bezien of het vervallen van een parkeerplaats in de openbare ruimte een aspect is dat bij voormelde belangenafweging dient te worden betrokken. Indien het deze vraag bevestigend beantwoordt, dient het te bezien welk gewicht aan het vervallen van de betreffende parkeerplaats moet worden gehecht en, indien het compensatie daarvoor nodig acht, hoe daarin wordt voorzien. Indien daarbij de mogelijkheid van het aanleggen van parkeerplaatsen op het binnenterrein wordt betrokken, dan dient het college daarbij in ogenschouw te nemen welk gebruik van het binnenterrein op dat moment is toegestaan.

Einduitspraak en het besluit van 23 mei 2017

4.    Gelet op hetgeen onder 3 is overwogen, is het beroep van [appellant] gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt het beroep gericht tegen het besluit van 1 oktober 2015 gegrond verklaard. Dat besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

5.    Het college heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak op 23 mei 2017 opnieuw op het bezwaar van [appellant] beslist. Dit besluit is ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede onderwerp van het geding.

6.    Het college heeft zich in het besluit van 23 mei 2017 op het standpunt gesteld dat de omgevingsvergunning voor de uitweg was aangevraagd en nodig was vanwege het realiseren van een parkeerterrein voor het parkeren van auto's op het binnenterrein. De voor het parkeren op het binnenterrein verleende omgevingsvergunning is echter in bezwaar herroepen en alsnog geweigerd. Deze weigering is onherroepelijk geworden. Volgens het college heeft de Stichting dan ook geen zwaarwegend belang meer bij de van rechtswege verleende vergunning voor de uitweg. Het college heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat realisering van de uitweg ten koste gaat van ten minste één openbare parkeerplaats en dat de parkeerdruk in de directe omgeving 95% is. Volgens het college wordt het beleid gehanteerd dat, indien de parkeerdruk hoger is dan 90% geen omgevingsvergunning voor een uitweg wordt verleend, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om hiervan af te wijken. Deze zwaarwegende redenen zijn niet aanwezig. De redenen om de uitweg te vergunnen zijn inmiddels vervallen en de wens om via de uitweg te laden en te lossen, is volgens het college niet een zwaarwegend belang. Hierbij acht het college nog van belang dat het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Regentesse Valkenboskwartier" het laden en lossen op eigen terrein alleen toestaat indien de omvang en bestemming van het pand daartoe aanleiding geven. Daarvan is in dit geval geen sprake.

    Gelet hierop heeft het college het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 8 mei 2015 alsnog gegrond verklaard, dat besluit herroepen en de aanvraag om omgevingsvergunning voor het maken van een uitweg op het perceel alsnog geweigerd.

6.1.    De Stichting heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen zienswijze naar voren gebracht tegen het besluit van 23 mei 2017. De Afdeling leidt hieruit af dat zij geen bezwaren heeft tegen dat besluit.

6.2.    Nu het college bij besluit van 23 mei 2017 de gevraagde omgevingsvergunning alsnog heeft geweigerd, stelt de Afdeling vast dat [appellant] geen belang heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van dat besluit. Hij heeft ook in zijn zienswijze te kennen gegeven zich in het besluit te kunnen vinden. Gelet hierop is tegen het besluit ten aanzien van [appellant] geen beroep van rechtswege ontstaan.

7.    Het van rechtswege ontstane beroep van de Stichting tegen het besluit van 23 mei 2017 is ongegrond.

8.    Het college dient ten aanzien van [appellant] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 april 2016 in zaak nr. 15/8064;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 1 oktober 2015, kenmerk B.2.15.0860.003;

V.    verklaart het van rechtswege ontstane beroep van de Stichting Jamia Madinatul-Islam tegen het besluit van 23 mei 2017 ongegrond;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1980,00 (zegge: negentienhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Hoekstra    w.g. Pieters

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2017

473.