ECLI:NL:RVS:2017:1880 Raad van State , 12-07-2017 / 201605680/1/A1

Uitspraak

201605680/1/A1.

Datum uitspraak: 12 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Opperdoes, gemeente Medemblik,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 13 juni 2016 in zaak nr. 15/4157 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Medemblik.

Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2015 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast het niet-recreatieve gebruik van de recreatiewoning op het perceel [locatie] te Opperdoes binnen twee jaar na de dag van de verzending van het besluit te staken en gestaakt te houden.

Bij besluit van 7 augustus 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 juni 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 mei 2017, waar [appellante], bijgestaan door mr. K.A. Luehof, rechtsbijstandverlener te Assen, en het college, vertegenwoordigd door F.P.M. Brieffies, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] heeft zijn hoofdverblijf in de recreatiewoning aan [locatie] te Opperdoes. Vast staat dat de permanente bewoning van deze recreatiewoning in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Opperdoes - Recreatiepark Klein Giethoorn" en dat het gebruik niet wordt beschermd door het overgangsrecht van dit bestemmingsplan, omdat de permanente bewoning van de recreatiewoning ook in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan. [appellant] is van mening dat het college ten onrechte is overgegaan tot handhavend optreden. Volgens hem is van rechtswege een vergunning  verleend voor het permanent gebruiken van de recreatiewoning als hoofdverblijf. Voorts is zijns inziens sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college had behoren af te zien van handhavend optreden.

Strekking brief 29 maart 2014

2.    In de zienswijze van [appellant] van 29 maart 2014 op het voornemen van het college hem een last onder dwangsom op te leggen is gesteld dat van de bestaande camping slechts 30 bungalows op een kale vlakte zijn overgebleven en er objectief gezien geen mogelijkheid meer is om het recreatieverblijf conform de bestemming te gebruiken. Volgens [appellant] zou het college op grond hiervan een omgevingsvergunning kunnen verlenen door toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1o, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). Vervolgens geeft [appellant] in de zienswijze te kennen dat alleen een gedoogbeschikking wordt gevraagd en dat een dergelijke beschikking de gemeente niets kost.

3.    De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] geen expliciete aanvraag om omgevingsvergunning heeft ingediend om het gebruik van de recreatiewoning voor permanente bewoning te legaliseren. Het enkele feit dat in de voormelde zienswijze het bestemmingsplanvoorschrift aangaande de toverformule wordt genoemd en het artikel uit de Wabo waarmee deze vergunning kan worden verleend maakt niet dat gezegd kan worden dat daarmee een dergelijke vergunning is aangevraagd door [appellant]. Dit geldt aldus de rechtbank temeer nu [appellant] zijn zienswijze heeft afgesloten met de opmerking dat alleen een gedoogbeschikking wordt aangevraagd en dat dat de gemeente niets kost. De rechtbank overweegt vervolgens dat het gebruik dat [appellant] maakt van het perceel niet is vergund en het college derhalve bevoegd is om handhavend op te treden tegen het gebruik van het perceel in strijd met het bestemmingsplan.

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn zienswijze niet is aan te merken als een aanvraag om omgevingsvergunning. Hij voert hiertoe aan dat met de zienswijze het college is verzocht een besluit te nemen om het strijdige gebruik op te heffen. Daarbij ging het om een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1o, van de Wabo. Nu het college niet tijdig op die aanvraag heeft beslist is bedoelde omgevingsvergunning van rechtswege verleend. In dit kader verwijst [appellant] naar een uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ1684.

4.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college de brief van [appellant] van 29 maart 2014 terecht niet heeft aangemerkt als een aanvraag om omgevingsvergunning. Hierbij heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat in de brief van 29 maart 2014, anders dan het geval was in de zaak die in de door [appellant] aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2013 aan de orde was, geen duidelijk verzoek om een omgevingsvergunning tot opheffing van het strijdige gebruik was opgenomen. Weliswaar heeft [appellant] verwezen naar de in de planregels opgenomen afwijkingsmogelijkheid, maar in de zienswijze van 29 maart 2014 wordt duidelijk en ondubbelzinnig aan het college te kennen gegeven dat alleen een gedoogbeschikking wordt gevraagd.

    Het betoog faalt.     

Bijzondere omstandigheden

5.    Gelet op het voorgaande is het college bevoegd handhavend op te treden tegen het gebruik van het perceel in strijd met het bestemmingsplan.

    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in de concrete situatie behoort te worden afgezien.

6.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college vanwege bijzondere omstandigheden niet heeft kunnen overgaan tot handhavend optreden. Hij voert hiertoe aan dat het college op de hoogte is van zijn gezondheidssituatie en een gedwongen verhuizing een negatieve invloed kan hebben op zijn gezondheid en welzijn.

6.1.    In hetgeen door [appellant] in hoger beroep is aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college in redelijkheid van handhaving had moeten afzien. Het college heeft in de ziekte van [appellant] geen redenen hoeven zien om van handhaving af te zien. Daarbij komt dat het college ter zitting van de Afdeling nader heeft toegelicht dat bij de bepaling van de lengte van de begunstigingstermijn rekening is gehouden met de gezondheidstoestand van [appellant].

Het betoog faalt.

Slot en conclusie

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Van der Spoel    w.g. Vermeulen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2017

700.