ECLI:NL:RVS:2017:821 Raad van State , 29-03-2017 / 201608664/1/R6

Uitspraak

201608664/1/R6.

Datum uitspraak: 29 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], wonend te [woonplaats], (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant]),

en

provinciale staten van Gelderland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2016 hebben provinciale staten het inpassingsplan "N 831 Velddriel - Alemse Stoep" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Provinciale staten hebben een verweerschrift ingediend.

Provinciale staten hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 februari 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. N. Crooijmans, advocaat te Zutphen,  en provinciale staten, vertegenwoordigd door mr. R.D. Reinders, advocaat te Den Haag, ing. J.J. Wezenberg, ing. W.B.M. de Hoog, ing. E. Flinterman en I. Beerens BSc, zijn verschenen.

    Overwegingen

Inleiding

1.    Het inpassingsplan voorziet in verbreding van de verkeersbestemming waardoor de aanleg van een vrijliggend fietspad mogelijk wordt naast de N 831 tussen Velddriel en Alemse Stoep, ter bevordering van de verkeersveiligheid. Voor de aanleg van het fietspad zal ook de aanwezige watergang moeten worden verplaatst. Tevens voorziet het plan in de aanleg van een rotonde ter plaatse van de kruising van de N 831 met de Hoorzik.

    Het perceel van [appellant] grenst aan de N 831. Voor de aanleg van het fietspad en de verplaatsing van de watergang is een strook van zijn perceel nodig van ongeveer 8 m diep.

Intrekking

2.    Ter zitting heeft [appellant] zijn beroepsgrond aangaande de informatievoorziening en inspraak ingetrokken.

Toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een inpassingsplan moeten provinciale staten bestemmingen aanwijzen en regels geven die zij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig achten. Provinciale staten hebben daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Belangenafweging

4.    [appellant] betoogt dat onduidelijk is waarom het fietspad aan de oostzijde van de N 831 gelegd moet worden en waarom de watergang uitgebreid moet worden in de richting van zijn woning. Volgens hem hadden provinciale staten de alternatieven moeten onderzoeken. Tevens voert hij in dit kader aan dat provinciale staten zijn belangen onvoldoende in hun afweging hebben betrokken.

4.1.    Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat zij om goede redenen het fietspad aan de oostzijde van de N 831 willen aanleggen. Niet alleen ligt op het laatste deel van het traject al een tweezijdig fietspad aan de oostzijde van de N 831, ook ligt het merendeel van de fietsvoorzieningen aan die zijde van de weg. Voor de aansluiting van de N 831 met de Koestraat is een fietspad aan de oostzijde een veiliger keuze, omdat aan de westzijde te weinig zicht op de fietsers zou bestaan door de ligging van de Koestraat, de woning aldaar en bomen en struiken op de beide hoeken. Ook zou een fietspad aan de westzijde van de N 831 ingrijpender zijn, vanwege de noodzaak tot verwerving van gronden van omwonenden. Op het traject waaraan het perceel van [appellant] ligt, zou dat betekenen dat op twee percelen het fietspad aanzienlijk dichter bij de woningen komt te liggen dan het geval is voor de woning van [appellant] en dat bij één woning het fietspad vrijwel tegen de woning aan zou komen te liggen.

    Wat betreft de watergang stellen provinciale staten dat deze voorkomt op de Legger Wateren van het waterschap Rivierenland en daarom niet mag verdwijnen. Omdat het fietspad ter plaatse van de huidige watergang komt te liggen moet de watergang worden verlegd.

    De Afdeling overweegt dat gelet op het voorgaande provinciale staten de mogelijkheid om het fietspad aan de westzijde van de N 831 aan te leggen hebben bezien. Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten na afweging van de betrokken belangen, waaronder die van [appellant], in redelijkheid gekozen voor de aanleg van het fietspad aan de oostzijde van de N 831 en de verplaatsing van de watergang.

    Het betoog faalt.

Geluid

5.    [appellant] vreest dat het inpassingsplan tot geluidoverlast zal leiden, omdat de weg op ongeveer 20 m van zijn woning zal komen te liggen en bovendien meer verkeer van de weg gebruik zal maken. Volgens hem is zijn woning ten onrechte niet opgenomen in het onderzoek "Aanpassing N 831 Kerkdriel, Akoestisch onderzoek Wet geluidhinder" van 10 september 2015 door Royal Haskoning DHV (hierna: het akoestisch onderzoek). Dit had volgens [appellant] wel moeten gebeuren, omdat het plan de mogelijkheid biedt om de weg dichter bij zijn woning te leggen. Ook is in het akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekening gehouden met de geluidsbelasting vanwege de nabijgelegen kassen. Ook had in het geluidonderzoek rekening gehouden moeten worden met het oude plan, waarin een groenbuffer was voorzien en die met het inpassingsplan verdwijnt.

5.1.    Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat de aanleg van het fietspad niet tot meer verkeer leidt op de weg. Ook komt de weg niet dichter bij de woning van [appellant] te liggen. De weg wordt alleen ter hoogte van de aansluiting van de Hoorzik gewijzigd en ten behoeve daarvan is het akoestisch onderzoek opgesteld. Omdat de woning van [appellant] op ongeveer 1,3 km van dit deel van het plangebied ligt en de wijziging van de weg daarop geen akoestische invloed heeft, is deze niet meegenomen in het akoestisch onderzoek. Ook is het niet nodig cumulatie met andere geluidbronnen te onderzoeken, omdat dat slechts voorgeschreven is bij het toekennen van een hogere waarde en daarvan hier geen sprake is.

5.2.    Aan het plangebied ter hoogte van de woning van [appellant] is de bestemming "Verkeer" toegekend.

    Artikel 3, lid 3.1, van de planregels luidt: "De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wegen met een verkeersfunctie met dien verstande dat het aantal rijstroken van wegen, met uitzondering van opstel- en voorsorteerstroken, in- en uitrijstroken en pechhavens, niet meer mag bedragen dan 2;

[…]

c. fiets- en wandelpaden;

[…]."

    Lid 3.3 luidt: "De aanleg van de wegen, kunstwerken en andere met deze wegen verband houdende voorzieningen als bedoeld in lid 3.1 kunnen alleen worden gerealiseerd indien aangetoond is, dat aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op nabijgelegen geluidsgevoelige objecten en geluidgevoelige terreinen dan wel aan de berekende geluidswaarden, zoals bepaald in het 'Akoestisch onderzoek Wet geluidhinder Aanpassing N831 Kerkdriel, 10 september 2015', zoals opgenomen in Bijlage 1 bij de planregels kan worden voldaan. Dit onderzoek maakt onderdeel uit van deze regels."

5.3.    Artikel 1, van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) luidt: "bestemmingsplan: bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 […] van die wet hieronder mede begrepen."

    Artikel 74, eerste lid, luidt: "Een weg heeft een zone die zich uitstrekt vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg:

a. in stedelijk gebied:

    1°. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken of een of twee sporen: 200 meter;

    2°. voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken of drie of meer sporen: 350 meter;

b. in buitenstedelijk gebied:

    1°. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken of een of twee sporen: 250 meter;

    2°. voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken of drie of meer sporen: 400 meter;

    3°. voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter."

    Artikel 77, eerste lid, van de Wgh luidt: "Bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan […] dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone als bedoeld in artikel 74, […] wordt vanwege burgemeester en wethouders een akoestisch onderzoek ingesteld naar:

    a. de geluidsbelasting die door woningen binnen de zone, alsmede door andere geluidsgevoelige gebouwen of door geluidsgevoelige terreinen, vanwege de weg zou worden ondervonden zonder de invloed van maatregelen die de geluidsbelasting beperken;

    b. de doeltreffendheid van de in aanmerking komende verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat de in de toekomst vanwege de weg optredende geluidsbelasting van de onder a bedoelde objecten de waarden die ingevolge artikel 82 of artikel 100 als ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt, te boven zou gaan."

5.4.    De Afdeling overweegt dat de bestemming "Verkeer" naast aanlegmogelijkheden voor een fietspad ook voorziet in aanlegmogelijkheden  voor een weg met rijstroken in de zin van de Wgh. Vanwege de ligging van de gronden met de bestemming "Verkeer" zou een dergelijke weg dichter bij de woning van [appellant] kunnen komen te liggen dan nu het geval is. Weliswaar hebben provinciale staten ter zitting gesteld dat het definitief ontwerp van de weg al is vastgesteld en er geen aanleiding is voor een andere ligging, moet de Afdeling vaststellen dat het plan en de regels die mogelijkheid niet uitsluiten. Het plan maakt dan ook een nieuwe situatie mogelijk in de zin van de Wgh. Artikel 77, eerste lid, van de Wgh, gelezen in samenhang met artikel 1 van de Wgh, schrijft voor dat bij het voorbereiden van de vaststelling van een inpassingsplan dat betrekking heeft op gronden behorend tot de zone van een weg, een akoestisch onderzoek wordt ingesteld naar de geluidsbelasting van woningen binnen de zone. De woning van [appellant] ligt op ongeveer 25 m van de bestaande weg, en ligt gelet op artikel 74, eerste lid, van de Wgh in de zone van die weg. Het voorgaande leidt ertoe dat akoestisch onderzoek ingesteld had moeten worden naar de geluidsbelasting die door de woning van [appellant] zou worden ondervonden van de weg, zoals bedoeld in artikel 77, eerste lid, van de Wgh. Nu dit niet is gebeurd is het plan vastgesteld in strijd met artikel 77, eerste lid, van de Wgh.

    Het betoog slaagt.

Watergang

6.    [appellant] betoogt dat de gevolgen van de nieuwe watergang niet door provinciale staten zijn onderzocht. Weliswaar is een watertoets uitgevoerd, maar er is geen concreet onderzoek gedaan naar de gevolgen van de aanleg van de watergang voor zijn perceel.

6.1.    In paragraaf 5.8 van de plantoelichting is de waterparagraaf opgenomen. Daarin staat beschreven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het inpassingsplan voor de waterhuishouding. Er staat dat het waterschap Rivierenland waterneutraal inrichten als beleid hanteert. Dit houdt in dat bij het toevoegen van verhard oppervlak de aanleg van extra waterberging van belang is, om wateroverlast te voorkomen. Tevens is bij de plantoelichting het rapport "Rapport waterhuishouding, Toelichting berekeningen waterhuishouding aanleg vrij liggend fietspad langs N 831 tussen Velddriel en rotonde Alemsestoep" van 16 maart 2016 door M. Brussen (hierna: het waterrapport) gevoegd. In het waterrapport staat de toetsing beschreven van de toename van het verharde oppervlak vanwege het plan ten opzichte van de waterbergende capaciteit van het omliggende gebied.

6.2.    [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gevolgen van de nieuwe watergang onvoldoende zijn onderzocht. Daarbij betrekt de Afdeling dat in de plantoelichting staat dat de watertoets is doorlopen en dat in het waterrapport de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding zijn onderzocht. Voorts overweegt de Afdeling dat de Wro noch enige andere wettelijke bepaling verplicht bij de vaststelling van een inpassingsplan de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding op perceelsniveau te onderzoeken.

    Het betoog faalt.

Conclusie en proceskosten

7.    In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Verkeer", is genomen in strijd met artikel 77, eerste lid, van de Wgh. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

8.    De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de raad op te dragen om voor het vernietigde plandeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen. De Afdeling zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

9.    Provinciale staten dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van provinciale staten van Gelderland van 28 september 2016 tot vaststelling van het inpassingsplan "N 831 Velddriel - Alemse Stoep", wat betreft het plandeel met de bestemming "Verkeer".

III.    draagt provinciale staten op om binnen 20 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen in 5.4 is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV.    veroordeelt provinciale staten van Gelderland tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

V.    gelast dat provinciale staten van Gelderland aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y. Verhage, griffier.

w.g. Uylenburg    w.g. Verhage

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2017

655.