Een reactie op de trustarresten (1999.07.3070)


De Hoge Raad oordeelt dat de trust is aan te merken als een doelvermogen (een tot een bepaald doel afgezonderd vermogen) en dat deze als verkrijger in de Successiewet kan worden aangemerkt (FBN 1998, nr 99). De trust is daarom schenkingsrecht verschuldigd naar het derdentarief.

In dit geval ging het om een onherroepelijke instelling van een trust. Volgens Zwemmer zouden het inkomen en het vermogen van de trust aan de insteller moeten worden toegerekend als de trust herroepelijk was geweest. Zouden de rechten van de beneficiaries daarentegen zodanig bepaalbaar zijn geweest dat zij individualiseerbare aanspraken opleveren, dan moeten het inkomen en het vermogen aan hen worden toegerekend. Aldus bezien is het vermogen van een irrevocable discretionary trust zwevend. Men zou dan kunnen denken aan een schenking onder opschortende voorwaarde, maar in tegenstelling tot een trust heeft het geschonkene het vermogen van de schenker nog niet verlaten, zolang de voorwaarde niet is vervuld.

Verder merkt Zwemmer op dat de Hoge Raad zich formeel niet heeft uitgesproken over de rechtsgevolgen van de uitkeringen aan de beneficiaries. De Advocaat Generaal meent dat de uitkeringen niet meer geacht worden van de insteller afkomstig te zijn. Zwemmer vraagt zich af waarom hij noch art. 5 SW (aftrek persoonlijke last bij trust en heffing bij beneficiaries), noch art. 53 SW (herrekening van geheven rechten), noch de regeling van het fideï-commis van toepassing acht. Waarschijnlijk heeft de vergelijkbaarheid van de trust met de stichting de doorslag gegeven. Volgens Zwemmer volgt de Hoge Raad deze lijn ook.

J.W. Zwemmer

BNB 1999/35, 1999/36 en 1999/37

HR; 18 november 1998; nrs 31756, 31758, 31759

Verder lezen