Erfdienstbaarheid ging niet verloren door niet-gebruik


Boek 5 BW

Onder het oude recht kon een erfdienstbaarheid vervallen door dat het niet gebruikt werd (ook wel met een mooi woord ‘non-usus’ genoemd). Dat kan niet meer sinds de invoering van het Nieuw BW in 1992, zulks tenzij de verjaringstermijn op 1 januari 1993 eindigde of geëindigd is (dit laatste ten gevolgde van art. 94 van de Overgangswet). Zo oordeelde ook de Rechtbank in Den Haag.

In die casus ging het op een recht van overpad dat al 230 jaar niet meer gebruikt was. De rechtbank oordeelde dat onder het oude BW er een ‘non usus’-regel gold op grond waarvan onder bepaalde omstandigheden een erfdienstbaarheid teniet ging, indien er dertig jaar, volgend op de dag waarop een met de erfdienstbaarheid strijdige daad werd verricht geen gebruik van werd gemaakt. De rechtbank stelde dat in de onderhavige casus een recht van overpad niet was vervallen, op zich al omdat het Nieuw BW is ingevoerd. Ook al heeft art. 94 Overgangswet de werking van het oude recht verlengt met één jaar, derhalve tot 1 januari 1993, dan nog helpt dat niet in deze casus. De rechtbank oordeelde dat indien een rechthebbende op 1 januari 1992 geen gebruikmaakte van de erfdienstbaarheid en de verjaringstermijn nog liep, dan geldt op grond van het overgangsrecht tot 1 januari 1993 nog de oude regel van non usus en wordt vanaf dat moment art. 3:106 BW van toepassing. Uit het voorgaande blijkt dat uitsluitend indien vóór 1 januari 1993 de verjaringstermijn van dertig jaar voltooid zou zijn, de erfdienstbaarheid nog op grond van het oude recht teniet zou…

Verder lezen
Terug naar overzicht