Etikettering onroerende zaak als ondernemingsvermogen blijkt niet uit administratie


Samenvatting

Belanghebbende exploiteert een transportonderneming en is ondernemer in de zin van de Wet OB 1968. De door belanghebbende verrichte transportdiensten zijn belaste prestaties in de zin van de Wet OB 1968. In 2002 hebben de vennoten van belanghebbende een onroerende zaak gekocht bestaande uit een woonhuis met losstaande loods, ondergrond, erf en tuin, die in 2003 vrijgesteld van omzetbelasting aan hen is geleverd. In 2004 en 2005 heeft er een verbouwing plaatsgevonden, waarbij onder meer een verbinding is gemaakt tussen de woning en de loods. Belanghebbende heeft alle omzetbelasting met betrekking tot de verbouwingskosten als voorbelasting in aftrek gebracht. De inspecteur heeft de op het woonhuis en de helft van het verbindingsstuk betrekking hebbende omzetbelasting nageheven.

De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende haar stelling dat zij de onroerende zaak steeds tot het ondernemingsvermogen heeft gerekend niet aannemelijk heeft gemaakt, nu dit op geen enkele wijze uit de administratie van belanghebbende blijkt. Dat de vermelding van een dergelijke keuze niet is opgenomen in art. 34 Wet OB 1968 of de Zesde Richtlijn, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. Nu de verbouwing niet heeft geleid tot de vervaardiging van een nieuwe onroerende zaak, heeft belanghebbende slechts recht op aftrek van voorbelasting voor zover die betrekking heeft op verbouwingsdiensten aan de loods en de helft van het verbindingsstuk.

(Beroep ongegrond.)

Verder lezen
Terug naar overzicht