Fictieve schenking van rente
1. Inleiding
In dit artikel geef ik een overzicht van een aantal fictieve schenkingen in de Successiewet 1956. Deze hebben tot doel bepaalde gebeurtenissen, die civielrechtelijk niet als een belastbare verkrijging krachtens schenking worden gezien, fiscaal wel als zodanig te duiden.2
Ik beperk me tot de fictieve schenkingen met betrekking tot rentevergoedingen. Die zijn neergelegd in art. 1, lid 4 SW 1956, art. 9, lid 2 SW 1956 en art. 15 SW 1956.
Hoewel de schenkbelasting dit jaar 100 jaar bestaat, zijn de fictieve schenkingen met betrekking tot rentevergoedingen van beduidend recentere datum. In paragraaf 2 tot en met 4 schets ik de achtergrond en werking van art. 1, lid 4, art. 9, lid 2 en art. 15 SW 1956. Tot slot bezie ik deze wetsbepalingen in paragraaf 5 vanuit de discussie omtrent het civiele versus het fiscale schenkingsbegrip, zoals door Gubbels uiteengezet in haar bijdrage aan dit themanummer onder de titel ‘Het begrip gift in de Successiewet’.
2. De fictieve schenking van art. 1 lid 4 SW 1956
Het huidige derde en vierde lid van art. 1 SW 1956 zijn in feite terug te voeren op de invoering van het nieuwe erfrecht bij versterf in 2003. Toen is de ‘wettelijke verdeling’ geïntroduceerd en die biedt de echtgenoot en het kind de mogelijkheid om de rente op de overbedelingsschuld/onderbedelingsvordering tezamen aan te passen (art. 4:13, lid 4 BW). Er is toen in aansluiting daarop een nieuwe bepaling in lid 2 van art. 1 SW 1956 opgenomen op grond waarvan de verkrijging ingevolge een renteovereenkomst…