Fraus Legis: een uitgewerkt medicijn bij artikel 4 WBR?


Met ingang van 1 januari 2011 is art. 4 van de Wet op Belastingen van rechtsverkeer 1970 (hierna: WBR) ingrijpend gewijzigd.1 De wijzigingen zijn een reactie op structuren die in de praktijk en de jurisprudentie zijn geconstateerd en die de wetgever onwelgevallig zijn. De reparatiewetgeving past in een lange traditie. Sinds de jaren negentig van de vorige eeuw zijn de wijzigingen in de overdrachtsbelasting namelijk uitsluitend een reactie op dergelijke structuren. De wetgever probeert alle mogelijk denkbare gaten via het wetgevingstraject te dichten. Art. 4 WBR is daardoor een samenraapsel van uitermate gedetailleerde antimisbruikwetgeving geworden. De wetgever wekt bovendien de suggestie dat in art. 4 WBR alle ongewenste situaties uitputtend zijn bestreden. Anders gezegd: de suggestie wordt gewekt dat alle situaties die niet onder de letterlijke tekst van art. 4 WBR vallen, wel zijn toegestaan. De vraag die opkomt, is of bij art. 4 WBR nog ruimte bestaat voor de toepassing van fraus legis. In deze bijdrage ga ik op zoek naar het antwoord op deze vraag.

1 Fraus legis algemeen

Het leerstuk van de fraus legis stamt uit de Romeinse tijd en geldt voor het gehele recht; dus ook het fiscale recht. Het maakt deel uit van de algemene rechtsleer. Het is ongeschreven recht. Een beroep op fraus legis fungeert als ultimum remedium, een laatste correctiemogelijkheid op grond van het ongeschreven recht om de voorkomen dat belanghebbenden de wet kunnen manipuleren door gebruik te maken van onaanvaardbare juridische constructies.3 De inspecteur moet een beroep doen op het leerstuk van fraus legis; er is geen plicht voor de rechter om dit leerstuk uit eigen beweging…

Verder lezen
Terug naar overzicht