Naar de inhoud

A-G Van Hilten belicht gevolgen van overdracht 'algemeenheid' voor een lopende herzieningstermijn

Samenvatting

Belanghebbende heeft op 12 december 2007 een algemeenheid van goederen en diensten (hierna: onderneming) in de zin van art. 31 Wet OB 1968 overgenomen. Tot die algemeenheid behoorde een gebouw waarvan de herzieningstermijn nog niet was verstreken. De ter zake van de levering aan de overdrager in rekening gebrachte omzetbelasting is door de overdrager destijds volledig in aftrek gebracht. Vanaf 1 januari 2007 wordt het gebouw voor een deel voor vrijgestelde doeleinden gebruikt, zodat herziening van de destijds in aftrek gebrachte omzetbelasting aan de orde is. Belanghebbende heeft op haar laatste aangifte van 2007 in verband met de herziening omzetbelasting voldaan, berekend vanaf de datum van de overname van de onderneming. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende ter zake van de herziening omzetbelasting had moeten voldoen, berekend naar het hele jaar 2007.

In haar conclusie gaat A-G Van Hilten eerst in op de tekst van art. 31 Wet OB 1968 en zijn Europese tegenhanger, art. 19 Btw-richtlijn. Hieruit volgt dat bij een ‘geruisloze overdracht’ van een onderneming in de zin van deze bepalingen, de overnemer in de plaats treedt van de overdrager. De advocaat-generaal geeft aan dat op Europees niveau niet nader wordt toegelicht wat deze ‘indeplaatstreding’ precies inhoudt, en dat ook geen rechtspraak van het HvJ over de invulling hiervan voorhanden is. Op nationaal niveau valt echter wel het een en ander over de indeplaatstreding door de overnemer te vinden. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 31 leidt de advocaat-generaal af dat de indeplaatstreding met zich brengt dat lopende herzieningstermijnen op de overnemer overgaan.

Voorts…