Naar de inhoud

A-G Wattel ziet geen aanleiding voor Hoge Raad om terug te komen van HR NTFR 2015/2035 inzake teruggaaf van dividendbelasting aan buitenlandse beleggingsfondsen

Samenvatting

Rechtbank Zeeland-West-Brabant (1 augustus 2016, nrs. 12/29, 12/30, 12/152 t/m 12/154, NTFR 2016/2222 en nrs. 15/6759 t/m 15/6762, NTFR 2016/2253) heeft de Hoge Raad verzocht om een prejudiciële beslissing in twee zaken over de EU-rechtelijke vergelijkbaarheid van (beleggers in) niet-ingezeten beleggingsfondsen en (beleggers in) ingezeten fiscale beleggingsinstellingen ex art. 28 Wet VPB 1969 (fbi’s). In beide zaken is in geschil of de belanghebbende op grond van zijn EU-recht op vrij verkeer van kapitaal (thans art. 63 VWEU) op dezelfde voet als een fbi recht had op teruggave van dividendbelasting. De samenhangende zaak is die met nr. 16/03954.

Belanghebbende is een in het Verenigd Koninkrijk gevestigd niet transparant open end beleggingsfonds. De rechtbank constateert dat de Hoge Raad in HR 10 juli 2015, nr. 14/03956, NTFR 2015/2035 een niet-ingezeten beleggingsfonds voor de toepassing van het fbi-regime niet vergelijkbaar achtte met een ingezeten fbi reeds omdat de door een buitenlands fonds aan zijn participanten ter beschikking gestelde winsten niet aan Nederlandse dividendbelasting zijn onderworpen en Nederland evenmin heffingsrecht heeft ter zake van de inkomsten van niet-ingezeten participanten. Belanghebbende meent dat HR 10 juli 2015 niet strookt met het vrije kapitaalverkeer.

De rechtbank constateert dat ook de literatuur de vraag opwerpt of HR 10 juli 2015 de juiste vergelijkingsmaatstaf hanteert. Bovendien rijzen naar aanleiding van HvJ 17 september 2015, zaak C-010…