Geen beroep op beleid dat berust op onjuiste rechtsopvatting


Samenvatting

Belanghebbende is in 2005 onder meer in dienst bij B. Zijn reiskosten bedragen € 2.069. De Belastingdienst voerde tot 2006 beleid dat wethouders en gedeputeerden in aanmerking komen voor aftrek van hun beroepskosten. Dit beleid was gebaseerd op het onjuiste uitgangspunt dat wethouders en gedeputeerden niet zijn aan te merken als werknemers in de zin van de Wet LB 1964. Onder verwijzing naar dit beleid wil belanghebbende zijn reiskosten aftrekken. De Hoge Raad is met het hof van oordeel dat belanghebbende geen beroep kan doen op beleid dat berustte op een onjuiste rechtsopvatting. Indien het bestuursorgaan het beleid waarvan is gebleken dat het op een onjuiste rechtsopvatting berust, echter niet binnen een redelijke termijn beëindigt, kan het voortgezette beleid gewoon worden toegepast. Ook ten aanzien van de gevallen die vergelijkbaar zijn met de in het beleid genoemde groep (wethouders en gedeputeerden).

Feiten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende heeft onder meer een dienstbetrekking bij B. Hij heeft zijn kosten van woon-werkverkeer in verband met deze dienstbetrekking voor het jaar 2005 becijferd op € 2.069 (hierna: de reiskosten).

3.1.2. De Belastingdienst voerde voor (onder meer) het onderhavige jaar 2005 een beleid op grond waarvan wethouders en leden van Gedeputeerde Staten (hierna: gedeputeerden) in aanmerking konden komen voor aftrek van hun beroepskosten. Dit beleid was gebaseerd op het uitgangspunt dat wethouders en gedeputeerden niet zijn aan te merken als werknemers in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet), tenzij zij op de…

Verder lezen
Terug naar overzicht