Geen kosten van onderhoud, maar herbouw van monumentale stolpboerderij


Samenvatting

Belanghebbende heeft in 1999 een monumentale stolpboerderij gekocht, die voor belanghebbende als woning dient. Na aankoop heeft belanghebbende de boerderij, mede naar aanleiding van ontstane stormschade, nagenoeg geheel tot op de oude fundering afgebroken en opnieuw opgebouwd. Daarbij zijn wezenlijke veranderingen tot stand gebracht, zoals het plaatsen van een betonnen plaat op de fundering, het realiseren van nieuwe vertrekken in de dars en op de zolder, het wijzigen van raampartijen, van de achterzijde en van de indeling van het pand. Bij de werkzaamheden waren absoluut en relatief hoge kosten gemoeid. Belanghebbende heeft in haar aangifte een deel van de totale kosten afgetrokken als uitgaven voor een monumentenpand. Rechtbank Haarlem oordeelde dat de wijzigingen niet dusdanig ingrijpend zijn geweest dat sprake was van nieuwbouw.

Het hof komt tot een andere conclusie. Als men de bouwkundige staat van de boerderij vergelijkt vóór en na de werkzaamheden, rekening houdend met de aard en de omvang van de werkzaamheden, kan niet worden gezegd dat de werkzaamheden beperkt zijn gebleven tot onderhoud en enige verbetering van de bestaande woning. Daaraan doet niet af dat zoveel mogelijk oude materialen zijn gebruikt en dat sommige wijzigingen noodzakelijk waren in verband met brandveiligheidsoverwegingen. De naar aard en omvang zeer ingrijpende werkzaamheden hebben geleid tot vrijwel volledige sloop, gevolgd door nieuwbouw, waardoor geen aftrek van uitgaven voor een monumentenpand mogelijk is.

(Hoger beroep gegrond.)

Commentaar

Volgens art. 6.31, lid 3, Wet IB 2001 zijn onderhoudskosten van een monumentenpand de kosten van werkzaamheden daaraan voor zover die ertoe hebben gestrekt het pand, zoals dat bij de aanvang van de werkzaamheden bestond, in bruikbare staat…

Verder lezen
Terug naar overzicht