Geen ontslag van instantie voor zover het beroep de vergrijpboete betreft


Samenvatting

Nadat zij in beroep is gekomen tegen een naheffingsaanslag en de daarbij opgelegde vergrijpboete, is belanghebbende failliet verklaard. Pas na de faillietverklaring is belanghebbende door de rechtbank uitgenodigd op zitting te verschijnen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de inspecteur in de gelegenheid gesteld om de curator op te roepen het geding over te nemen. Nadat de curator heeft meegedeeld dat hij de procedure niet wenst over te nemen, heeft de inspecteur op de voet van art. 27, lid 2, FW, de rechtbank verzocht om ontslag van instantie te verlenen. De rechtbank wijst het verzoek van de inspecteur toe voor zover het de naheffingsaanslag betreft. Met betrekking tot de boete overweegt de rechtbank dat het bepaalde in art. 6 EVRM zich ertegen verzet dat de enkele faillietverklaring tot gevolg heeft dat die strafoplegging niet meer door de rechter kan worden getoetst. De rechtbank oordeelt vervolgens dat de boete niet in stand kan blijven, omdat geen opzet of grove schuld is gesteld of gebleken. Dat in het controlerapport een verzuimboete is aangekondigd, betekent niet dat de opgelegde vergrijpboete kan worden aangemerkt als een verzuimboete.

(Beroep gegrond.)

Commentaar

1. Nadat de belanghebbende noch haar adviseur ter zitting zijn verschenen, maakt de inspecteur gerechtvaardigd gebruik van art. 27 FW. Dit artikel geeft de mogelijkheid om de curator een, voor het faillissement ingestelde, procedure over te laten nemen. Nu de curator daar in deze zaak geen gebruik van maakt, kan de inspecteur de rechtbank ontslag van instantie vragen, wat hij dan ook heeft gedaan.

2. De rechtbank wijst dit verzoek vervolgens toe, maar alleen…

Verder lezen
Terug naar overzicht